Op donderdag 18 juni verzamelden zo’n 15 jonge predikanten en theologiestudenten zich in Amersfoort om te sparren over het thema ‘Goed geworteld’. Hoe blijf je als predikant geestelijk fris? Hoe ga je om met overgangsperiodes, bij de start in een (nieuwe) gemeente? Predikanten Bart de Bruin en Rik Mager deelden inzichten en waardevolle tips.
Het terras van Parkhuis Amersfoort heeft een weids uitzicht over bomen aan de rand van Amersfoort. Hier komen op een warme zomeravond theologiestudenten en jonge predikanten van verschillende kerkgenootschappen bij elkaar om tussen de gangen van een oosterse maaltijd door ervaringen over het predikantschap uit te wisselen.
Ergens wortel schieten als predikant, in een nieuwe kerkelijke gemeente: hoe doe je dat? En wat kun je leren van de ervaringen van zendelingen die vaak in een totaal andere cultuur terechtkomen? Rik Mager, missionair predikant voor de IZB, begon als gemeentepredikant in Woerdense Verlaat en Zevenhoven, waarna hij voor de GZB zes jaar werd uitgezonden naar Rwanda.
Context
Hij blikt in zijn bijdrage terug op de beginperiode van zijn tijd als docent aan een theologische school. ‘In het begin keek ik vaak via GoogleMaps naar straten in Nederland die ik goed kende. Met pijn in het hart dacht ik dan: ik wou dat ik daar stond.’ Nu hij weer in Nederland woont, bekruipt hem soms de omgekeerde reflex en zoekt hij of hij mensen herkent op straat in Cyangugu, de stad waar hij in Rwanda jarenlang werkte. Zo heeft de overgang naar een nieuwe situatie telkens trekken van een rouwproces. Het is goed om daarop voorbereid te zijn. ‘Rwanda is een dictatuur. Dat is een heel ingewikkelde context. We kwamen in een sfeer van achterdocht terecht.’
In een andere cultuur is alles anders. ‘Je loopt hopeloos achter de feiten aan. Dat roept de vraag op waar God in dat alles is. In Rwanda was ik een trouw kijker van Nederland Zingt. Dat deed me beseffen: ook al gaat het in Nederland op een heel andere manier dan hier, wij aanbidden dezelfde God.’

Zijn tip: ga op zoek naar een goede mentor, die je vertrouwen kunt. ‘Die kan voor jou een soort hermeneut van het systeem zijn.’ De lokale pastor in Rwanda die veel voor hem betekend heeft, gaf hem op een gegeven moment de opdracht om erachter te komen wat voor hem de ‘missie achter de missie’ is. ‘In Nederland was ik geneigd me te conformeren aan het beeld dat je als pastor een zekere onverwoestbaarheid moet uitstralen. Maar in Rwanda was er een periode dat we ons als gezin kwetsbaar voelden. Toen realiseerde ik me dat we ook waren gekomen om te ontvangen, om ons te laten kennen, ook in die kwetsbaarheid.’
Roeping
Hoe blijf je als predikant geworteld? Hoe blijf je geestelijk fris? Dat was het uitgangspunt van de tweede bijdrage, van Bart de Bruin, als predikant in Middelburg verantwoordelijk voor een grote gemeente van zo’n 2.000 leden en 1.300 kerkgangers. Een heel andere situatie dan in Andel, zijn eerste gemeente. ‘We hebben hier veertig kerkenraadsleden en veertig bijbelkringen, in plaats van één bijbelkring, zoals in Andel. In het begin sliep hij slecht omdat hij wel zag dat hij op een andere manier zou moeten werken dan hij gewend was. ‘Ik werd weleens zwetend wakker en was bang burn-out te raken. Dat resulteerde in een gesprek over roeping: wat mag ik doen, wat mag ik laten?’
Een Bijbeltekst die hij zijn gehoor meegeeft komt uit de brief aan de Filippenzen, waarin Paulus bidt dat de liefde van die gemeente steeds groter zal worden en dat ze zullen ‘onderscheiden wat wezenlijk is.’
‘Het predikantschap vraagt keuzes. Als je die zelf niet maakt, wordt je agenda ingevuld door de verwachtingen van anderen.’ Je moet als predikant je eigen geestelijk leven even serieus nemen als dat van je kerkgangers, zegt De Bruin. ‘Laat het evangelie niet gewoon worden. Het is verrassend, het is goed nieuws, ook voor jouzelf.’
Doordenken
Dat betekent dat er kaders gesteld moeten worden voor de zorg voor de eigen ziel. ‘Je hoeft geen redenen te geven voor momenten waarop je niet beschikbaar bent. Ik reserveer elke dinsdagavond om te zwemmen. Die momenten moet je zelf afkaderen. Dat heeft ook te maken met geestelijk leven.’
De Bruin reserveert het eerste uur van de werkdag voor stille tijd, van half negen tot half tien. ‘Ik lees dan de Bijbel, en iets daarnaast van bijvoorbeeld Van Ruler, Augustinus of Eugene Peterson. Drie dagen in de week plan ik daarna een uur in om te studeren. Het lezen van boeken is belangrijk voor de frisheid van de preek. Op zulke dagen begin ik dus om 10.30 uur met het andere werk. Om geworteld te blijven, helpt het om zaken te doordenken.’ Hij reserveert 20 uur voor de preekvoorbereiding. ‘Dinsdag is mijn exegesedag’.

Predikanten dienen ook goed te weten welke invloed ze door hun functie hebben op andere mensen, zegt De Bruin. ‘Onderschat niet de geestelijke strijd die er is rond predikanten en kerkelijk werkers. Zorg dat je mensen hebt bij wie je je zonden kunt belijden, waar je door bemoedigd kunt worden, bij wie je genade kunt ontvangen.’
De crux is om je gave en je identiteit niet door elkaar te halen. ‘Het is niet verkeerd om te willen weten hoe je preek wordt ontvangen, maar het is niet het wezenlijke.’ Je bent niet wat je doet, kortom. ‘Als je als predikant kinderen hebt, wees dan extra alert dat je ruiterlijk toegeeft waar je tekortschiet. Niets is zo funest dan dat je dat toedekt. Oefen jezelf, samen met je partner, in het struikelen achter Jezus aan.’
Wil je meer weten over Areopagus Young? Lees dan hier meer.