‘Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden…’  Binnenkort klinkt het weer, in de Schriftlezing rond Pinksteren, Handelingen 1:5, één van de sleutelteksten in de theologie over de Geestesdoop. Het thema kwam woensdag 8 mei aan de orde tijdens de slotbijeenkomst van een Areopagus-leeskring voor predikanten, onder leiding van dr. Wim Dekker.

In de afgelopen jaren organiseerde Areopagus, het centrum voor contextuele en missionaire verkondiging van de IZB, zulke leeskringen. De deelnemers lezen dan enkele recent verschenen boeken en komen dan gedurende een half jaar elke maand een middag bijeen om erover van gedachten te wisselen. In eerdere leeskringen bogen ze zich zo over werken van o.a. Tómas Halík, Bram van de Beek en Henk Vreekamp. Deze keer hebben ze een boek bij de kop van emeritus hoogleraar Jan Veenhof, ‘De kracht die hemel en aarde verbindt’, een inleiding tot de leer van de Heilige Geest.

Second blessing

Dat is nogal een breed thema. Het gaat onder andere over de gaven van de Geest, over de tongentaal, over profetie, en nog zo wat thema’s die elk goed zijn voor een overvolle boekenkast. Deze middag gaat het onder andere over de doop met de Geest. ‘Hoe zit dat, heeft iedereen bij de waterdoop de Geest ontvangen?’, jaagt Dekker het gesprek op gang. ‘Is de ‘doop met de Geest’ een ‘second blessing’, zoals veel christenen in charismatische en pinksterkringen die bepleiten? Ze kunnen het leden van traditionele, meer volkskerkachtige gemeenten best lastig maken met hun scherpe vraag: ‘Bent u met de Heilige Geest gedoopt? Stromen van levend water zullen uit uw binnenste vloeien, herkent u dat?’ Je ziet ze schaapachtig kijken….’

‘De werkelijkheid kan bekend zijn, zonder dat mensen het in die evangelische termen verwoorden’, zegt een emeritus in de kring ervan. ‘Het is maar net met welk taalveld ze vertrouwd zijn. Ik ken gemeenteleden met een intense omgang met God. Ze ‘bidden in de Geest’, maar als je hun dat zou voorhouden, zegt het ze waarschijnlijk niets.  Ze zullen het zelf nooit zo durven noemen.’

Inwoning

Veenhof onderscheidt in zijn boek drie aspecten van het heil: rechtvaardiging, heiliging en vervulling. Met zijn uitvoerige passages over de opwekkingsprediker Charles Finney, suggereert hij dat de ‘vervulling’ een apart moment is in het geestelijk leven van christenen.

‘Mijn vader is heel bewust tot geloof gekomen en hij vertelde vaak over die ervaring’, vertelt een van de aanwezige predikanten. ‘Die ervaring werd tot een soort eilandje, in zijn herinnering. Het leek los te staan van de rest van zijn leven. Ik denk dat de vervulling betrekking heeft op de weg die God met je gaat. Door de vervulling gaan de rechtvaardiging en de heiliging meer voor je leven.’

Andrew Murray spreekt over de ‘inwoning’ van de Geest, brengt een ander in de kring in. ‘Bij de doop komt hij bij je wonen; bij de vervulling gaat het erom dat hij als hoofdbewoner aan het werk gaat.’

‘Ik zie het zo’, zegt een andere predikant. ‘De rechtvaardiging is als een kachel, de heiliging de waakvlam. En de vervulling met de Geest is dat je in vuur en vlam staat, dat het je hele wezen raakt. Daar mag je je naar uitstrekken.’ Maar hoe verhoudt zich dat enthousiasme dat de Geest wekt dan tot allerlei psychologische categorieën? Iemand die emotioneler in z’n vel steekt heeft meer aanleg om ‘overspoeld’ te raken, dan iemand met autisme.

‘Het vraagt pastorale wijsheid, om het werk van de Geest in elke situatie te duiden’, zegt een voorganger. Hij vertelt over een man in zijn gemeente, die zegt dat hij vaak weinig ‘voelt’ van het geloof. ‘Hij draagt het lampje ‘op zijn rug’, want intussen is hij door zijn levenshouding, ook de door de manier waarop hij met tegenslagen omgaat, voor velen in de gemeente tot een voorbeeld, een bron van hoop. Je moet dus oppassen met algemene oordelen.’

Diagnose

Broeders en zusters in charismatische en pinksterkringen kunnen het predikanten en gemeenteleden behoorlijk lastig maken. ‘Je bent gezegend als je een nuchtere kerkenraad hebt’, zegt een predikant. ‘Zelf ben ik altijd gewoon het gesprek met ze aan te gaan. Ik ben meegegaan naar een conferentie. Als ik het ergens mee eens was, erkende ik dat. Maar als ik iets echt onzin vond, zei ik het ook.

Die vraag van pinksterchristenen gaat wel ergens over, poneert een andere voorganger in de kring. ‘Als ze ons kritische bevragen omdat wij minder vervuld zouden zijn van de Geest, klinkt dat als een diagnose. Liggen er bij ons blokkades? Aan de Geest zal het toch niet liggen? Het hoeven niet meteen grove zonden te zijn, er kunnen ook trauma’s in de weg zitten of psychische remmingen waardoor we verstoken blijven van de vervulling met de Geest. In het pastoraat kun je onderzoeken of daar sprake van is.’

Een van de predikanten vertelt over de praktijk van ministry-gebed en het ‘zegenend bidden’. Zo’n ritueel kan helpen, omdat het iets deelt, wat voor mensen die minder talig zijn moeilijk te communiceren valt. In de voorbede dringen zich soms beelden aan me op, die verrassend raak blijken te zijn, als ik er met betrokkenen over spreek. Op grond van die ervaringen denk ik dat er helemaal niet zoveel concurrentie hoeft te zijn tussen het psychische en de Geest.’ Dekker: ‘Dat werk zou ik niet aan iedereen toevertrouwen. Ik denk wel dat jij het kunt, maar dat vraagt wel geestelijke volwassenheid.’

‘Nog even over die blokkades’, begint een dominee. ‘In mijn gemeente was een oudere vrouw die nog nooit aan het avondmaal had durven gaan. Ik had al vaak met haar gesproken, dat ze van zichzelf moest afzien, naar Christus. Op een gegeven moment belde ze me op: “Ik heb steeds een zinnetje in mijn hoofd: “Begin nu eens bij Mij.” (Christus). Zou dat van de Here kunnen zijn?’ Ja, denk ik dan. Zo werkt de Geest ook. Het kwam tot een doorbraak, er viel een last van haar af.’

Lenigheid

Dekker: ‘Ook zonder dat we precies de terminologie volgen, kan de realiteit van de vervulling met de Geest zich voltrekken. Als je Bonhoeffer leest, vind je daar ook niet de termen van de ‘doop met de Geest’ of de vervulling met de Geest. Het accent ligt veel meer op de christologie. Maar als hij schrijft over de Levende die ons nabij is, en de vreugde die dat geeft, gaat het toch feitelijk over hetzelfde.’

De aanwezigen constateren dat Veenhof in zijn boek graag en vaak buiten de lijntjes kleurt. Als de charismata aansluiten bij iemands natuurlijke capaciteiten, zoals hij betoogt, kun je dan nog wel uitkomen bij Geest die exclusief verbonden is aan Christus? Met grote lenigheid verbindt Veenhof fenomenen uit uiteenlopende theologische tradities. ‘Er wordt weinig gecensureerd of gekritiseerd. ’En scheert zijn optimistische, inclusieve theologie  niet langs de rand van de alverzoening? Hoe verhouden ambt en charisma zich in zijn theologie? Hij lijkt het ambt vooral te beschouwen als een ‘storende factor’.

Het boek leent zich, kortom, voor een aantal middagen met theologische gesprekken, waarbij iedereen wordt uitgedaagd tot bijval en tegenspraak. ‘Hopelijk hebben jullie weer veel inspiratie opgedaan voor een aantal goede Pinksterpreken’, besluit Dekker, al beseft hij ook dat de veelheid aan gedachten soms kan verwarren. Zoals het in het gebed aan het begin van de middag werd verwoord: ‘We proberen al pratend en denkend vat te krijgen op uw Geest, terwijl het er toch eigenlijk om gaat dat uw Geest vat krijgt op ons…’

Koos van Noppen

Deel dit nieuws: Twitter Twitter Google E-mail

Schrijf je in voor de IZB nieuwsbrief