Het waren bepaald geen zeven magere jaren waarin dr. Herman Paul werkzaam was als bijzonder hoogleraar secularisatiestudies aan de Rijksuniversiteit Groningen. De oogst is groter dan vooraf begroot. Aan de reeks publicaties voegt hij komende maand nog een essay toe met ‘een kleine theorie van secularisatie’. Waarom het boek met de titel ‘Shoppen in advent’ bewust pas ná Kerst verschijnt, wordt vanzelf duidelijk.

‘In de afgelopen zevenenhalf jaar heb ik enorm veel geleerd, zowel van mensen als van boeken. Eén van die leerpunten is dat secularisatie niet alleen een beweging ergens vandaan is – van God, van de kerk vandaan – maar ook ergens naartoe. Dat is mij steeds meer gaan intrigeren: waar voelen mensen zich zo door aangetrokken, dat christelijk geloof daar mager bij afsteekt? Wat voor nieuwe religies, andere identiteiten, alternatieve praktijken spreken mensen aan? Die moeten we niet afdoen met clichés als ‘de boze buitenwereld’ en de ‘moderne mens’ – die moeten we aandachtig bestuderen.

In mijn essay Shoppen in advent noem ik ‘consumentisme’ een van de voornaamste religies van onze tijd. Ik doel daarmee, heel concreet, op dingen als boodschappen doen, spullen kopen, je huis verfraaien, je outfit, maar ook op minder materiële zaken als je identiteit ontlenen aan je werk of jezelf beschouwen als een merk dat je op de markt van het leven moet zien te verkopen. Consumentisme fungeert als een sjabloon waaraan mensen identiteit ontlenen, soms ook als alternatief voor het christelijke geloof.

Eén van de redenen om zo concreet op consumentisme in te gaan, is dat mensen mij altijd vragen: wat veroorzaakt secularisatie? In de afgelopen jaren ben ik bij veel kerken en scholen langs geweest om te spreken over secularisatie. Vaak waren mensen dan vooral benieuwd naar een soort diagnose van onze tijd. Wat speelt er? Wat beweegt mensen? En welke consequenties heeft dit voor de manier waarop we vandaag mens-zijn, gezin-zijn, kerk-zijn?’

Secularisatie gaat in die denklijn dus niet primair over kerkverlating.

‘Kerkverlating kan het gevolg zijn van secularisatie, maar valt er niet mee samen. Secularisatie is een verandering die zich voltrekt in de verlangens die een mensenleven sturing geven. In De slag om het hart schreef ik dat secularisatie plaatsvindt als Godsverlangen overschaduwd gaat worden door andere verlangens, die hun vervulling zoeken in het hier en nu. Beide polen vind je terug in de titel van het essay: ‘shoppen’ en ‘advent’.
Ik kies voor ‘advent’ in plaats van voor ‘Godsverlangen’ omdat er zoveel onbestemd verlangen naar God is, inclusief allerlei therapeutische vormen van religiositeit. ‘Verlangen naar God’ kan iets te veel verschillende dingen betekenen. Daarom spits ik het toe op verlangen naar Gods Koninkrijk – het Koninkrijk waarvan de voortekenen soms al te zien zijn, maar dat pas na Christus’ wederkomst in volle glorie zal aanbreken. Die eschatologische gerichtheid, met de spanning tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’, vind ik een fundamenteel kenmerk van het christelijk geloof. Met advent bedoel ik dus niet de vier weken vóór Kerst, maar een gerichtheid van het christelijk leven die alle dagen van het jaar geldt. Zoals Karl Barth ergens schrijft: ‘Kan, mag en zal de tijd van de kerk ooit een andere zijn dan adventstijd?’ Die verwachting, een onopgeefbaar element van het christendom, staat ook binnen de kerk onder druk.
De term ‘shoppen’ verwijst vervolgens naar verlangens die in het hier en nu vervulling zoeken. Uiteraard neemt secularisatie in elke tijd andere vormen aan. Maar omdat ik me richt tot Nederlandse christenen in 2020, zoom ik in op een van de belangrijkste ‘liturgieën’ die ons verlangen vandaag de dag vormen: consumentisme. Ik ben onder de indruk gekomen van hoe alomtegenwoordig deze religie is, niet alleen op internet of in de winkelstraat, maar tot in de meest intieme zones van ons bestaan. Consumentisme, zegt de antropoloog Daniel Miller, is een soort ‘liefdestaal’ geworden. Mensen drukken met aankopen en cadeautjes uit wie ze zijn, wat anderen voor hen betekenen en van wie ze houden.

Met zijn focus op het hier en nu staat dit consumentisme op gespannen voet met een christelijk geloof dat wil uitzien naar de komst van Gods Rijk. Het wordt dan ook spannend als consumentisme voor de kerkdeur geen halt blijkt te houden. Ook in de kerk shoppen we, als we een gemeente naar eigen smaak uitzoeken, een liturgie wensen die past bij onze voorkeuren of op internet de mooiste preken beluisteren.’

In de praktijk van het christelijk leven lopen shoppen en advent nogal door elkaar.

‘Precies! Maar om dat te kunnen laten zien, moet je ze wel eerst onderscheiden. Shoppen staat voor mij symbool voor seculariserende krachten die ons niet verder laten kijken dan het hier en nu (het saeculum). In déze tijd moeten onze verlangens worden bevredigd, moet onze identiteit worden ontwikkeld, moeten onze wensen worden vervuld. Daartegenover staan deseculariserende krachten, die een mens juist dichter brengen bij God en zijn Koninkrijk. Ik denk dat het leven van veel christenen getekend is door een spanning tussen seculariserende en deseculariserende krachten.
Christenen staan immers net als elke andere Nederland bloot aan de seculariserende krachten. Maar wat bijzonder is: er blijken ook krachten te zijn die mensen bij het geloof bewaren. Daarmee verandert wat mij betreft de vraagstelling rond secularisatie. Het gaat niet langer om de vraag: wat is er met jou gebeurd dat jij niet langer naar de kerk gaat? In deze variant ligt de ‘bewijslast’ bij de kerkverlater. Mijn vraag zou zijn: Hoe komt het dat jij ondanks alle seculariserende krachten bij de kerk bent bewaard?

Met andere woorden: dat kerkgangers zichzelf (leren) kennen als zulke geseculariseerde mensen is geen nieuws.

‘Nee, ik wil een stap verder zetten: wij zijn diep-geseculariseerde mensen. Des te verwonderlijker is het dat God ons heeft vastgehouden, dat we deel uitmaken van een kerkelijke gemeenschap, dat we opademen in een zondagse praktijk van zingen, vieren en bidden. Dat we woorden horen die ons corrigeren, die ons tot de orde roepen, de orde van het Koninkrijk…. Hoe langer ik me in secularisatie verdiep, hoe meer ik me daarover verwonder.’

De constatering zelf is al deseculariserend.

‘Dat hoop ik. Al decennialang wordt in ons land over secularisatie nagedacht. Telkens klinkt de vraag: wat moet de kerk anders doen om te voorkomen dat mensen weglopen? Dit leidt soms tot zeer sombere diagnoses, dan weer tot grote experimenteerdrang. Niet dat dit per se verkeerd is. Maar ik zou zeggen: wat werkelijk ‘deseculariserend’ is, is de goede, taaie gewoonte om elke zondag naar de  kerk te gaan, elke dag te bidden en de Bijbel te lezen. Daarmee zeg ik niks spectaculairs, misschien tot teleurstelling van sommigen. Maar toch, het argument dat alles anders moet, dat de preek nóg beter moet zijn dan ‘ie al was, dat de liturgie nóg aansprekender moet – dat argument onderschat dat mensen vooral gevormd worden door goede gewoontes. Waarmee ik niet wil zeggen dat we in de kerk niet ons best moeten doen. Maar ook hier sluipt consumentisme gemakkelijk binnen. Wie op internet geweldige preken beluistert en de mooiste kerkmuziek tegenkomt, raakt als vanzelf teleurgesteld in de eigen predikant en organist.’

Je noemt secularisatie in je essay niet zozeer een trend als wel een optie. Mensen hebben tenslotte de keus… maar veel mensen zullen die vrijheid niet zo ervaren.

‘Het gaat me niet om keuzevrijheid, maar om het feit dat verschillende culturen ondanks vergelijkbare processen van modernisering heel verschillende religieuze patronen vertonen. Dat is wat sociologen de afgelopen tientallen jaren steeds beter zijn gaan zien. Het wereldbeeld ‘onttovert’, jazeker, maar tegelijk bestaat er ‘herbetovering’ in allerlei vormen – denk slechts aan de spectaculaire groei van welvaartsevangelies in Latijns-Amerika en Afrika. Secularisatie is dus niet iets dwingends, iets dat zich overal op dezelfde manier doorzet. In West-Europa is kerkverlating wel een ‘voorkeursoptie’, zoals José Casanova zegt. Hier hebben we met elkaar zó sterk ingezet op emancipatie van ons religieuze verleden, dat het inderdaad kan voelen alsof een mens niet anders kan dan meegaan met die stroom. Tegelijk zie je dat ook hier dat jonge mensen niet bezwijken voor de groepsdruk van leeftijdsgenoten en ondanks alle opgetrokken wenkbrauwen wél naar de kerk gaan. En dat is geen kwestie van eigen keuzes of van individuele ruggengraat. Meer en meer zie ik kerken fungeren als gemeenschappen die mensen ‘rugdekking’ geven, die hen steunen in hun christen-zijn doordeweeks.’

Op de keper beschouwd is je essay behoorlijk maatschappijkritisch. Het nodigt uit tot een tegendraads christendom.

‘Tegendraads, dat vind ik een aansprekende term – misschien ook niet toevallig een term die in het boekje Oefenplaatsen al centraal stond. Christen-zijn heeft in onze tijd iets tegendraads. Tegen de stroom in. Niet als individuele karaktereigenschap, maar als de uitkomst van een conflict, of als resultaat van een spanning die in het leven van iedere christen te merken is. Een spanning die alleen maar vol te houden is dankzij kerkelijke gemeenschappen die als tegenkracht fungeren.’

Welk huiswerk bevat je essay voor predikanten, kerkenraden en gemeenten?

‘Twee dingen, denk ik. Geïnspireerd door Augustinus leg ik nogal wat nadruk op het klassieke sursum corda: de harten omhoog! Het is een aansporing om je niet te laten afleiden door dingen die je weghouden van Christus. Waar verwacht je nou werkelijk van het leven? Van welke god, met een hoofdletter of een kleine letter, verwacht je het? Waar gaat je hart nu echt naar uit? Volgens mij is dit een thema dat in elke kerkdienst terugkomt. Zondag aan zondag worden wij in woord en lied, in gebed en zegen gecorrigeerd. Nee, het gaat niet om jezelf, het gaat om God. Nee, wat telt is niet jouw verdienste, maar Gods genade.

En ten tweede: kijk niet gek op als die aansporing geen al te spectaculaire resultaten oplevert. Discipelschap, heiligmaking, karaktervorming – al die woorden die in onze tijd zo rondzingen – zullen altijd stukwerk blijven. Ook dat is Augustinus: het kaf en het koren groeien samen op. De stad van God en de stad van de mens zijn wel te onderscheiden, maar in onze werkelijkheid nog niet te scheiden. Heb daarom geduld – een kardinale deugd in het saeculum, de tijd vóór Christus’ wederkomst. Zie verlangend uit naar de dag waarop God zélf het kaf en het koren in onze levens van elkaar zal scheiden.

Ik begin mijn essay met een brief van een predikant, die zich verwonderd afvraagt hoe het toch komt dat de gemeenteleden die aandachtig onder zijn adventspreek hebben gezeten, direct na de dienst alweer praten over de kerstcadeautjes die nog moeten worden gekocht, de buffetten op het werk, de hypotheek en de kinderopvang. De vraag is: is dit een reden voor teleurstelling, voor zelfkritiek of voor verdubbelde ijver in preken, zingen en bidden? Of is deze dubbelheid ook iets onuitroeibaars?’

Je zou op basis van je betoog kunnen zeggen: concentreer je in de verkondiging en in gesprekskringen veel meer op het leven vanuit de verwachting. ‘Deze wereld gaat voorbij en haar begeerte…’ Zet de avondmaalsviering ook meer in dat teken.

‘Ja, het zou helpen als we er van doordrongen zouden raken dat de kerk een ‘oefenplaats van verlangen’ is. Het gaat in de kerk niet in de eerste plaats om het aanleren van bijbelkennis, hoe nuttig die op zichzelf ook is. In IZB-verband heb ik eens een cursus voor predikanten gegeven waarin ik hen vroeg om daar werkvormen voor aan te dragen. Het mooie was: ik kreeg vervolgens niet alleen preekschetsen in mijn mailbox. Cursisten maakten bijvoorbeeld catechisatieprogramma’s waarin ze kinderen verlanglijstjes lieten maken. Dat vind ik een mooie manier om verlangen een plek te geven.

Wel twee kanttekeningen daarbij. Praten over verlangen is nog iets anders dan het verlangen voeden. Uiteindelijk wordt ons verlangen vaak vooral gestimuleerd door de voorbeelden om ons heen, door identificatiefiguren, door inspirerende mensen die naast ons in de kerkbank zitten. Om die reden sprak Augustinus altijd over het leven van heiligen: voorbeeldfiguren die ons uitnodigen om verlangen naar God te cultiveren.
En ten tweede: het is niet moeilijk om in de sacrale sfeer van het kerkgebouw naar God te verlangen. Veel lastiger is dit op maandag, als we weer overgaan tot de orde van rennen, vliegen en draven. Hoe voorkom je een dualisme tussen zondag en maandag? Laten we het daarom ook hebben over ‘advent op maandag’. Wat betekent de verwachting van Christus’ wederkomst als je voor klas staat, als je naar school gaat, als je schoonmaker bent of chirurg? Hoe wordt je dagelijks werk ‘gekleurd’ door dat verlangen?

Hoe geef jij er in jouw leven vorm aan, met de overvolle agenda van je gezin, je werk, de kerk enzovoort?

‘De zondagse liturgie is voor mij dé deseculariserende kracht. Het zingen van Psalmen, van gezangen uit het Liedboek corrigeert mij, elke zondag weer. En wat betreft advent op maandag: in mijn werk voer ik nogal wat existentiële gesprekken met studenten en promovendi. Gesprekken over prioriteiten en keuzes in het leven. Zonder dat het in elk gesprek expliciet over God gaat, hoop ik uit te stralen dat er meer is dan een carrière of de volgende publicatie. En zelfs als die gesprekken geen enkel effect op anderen hebben, ze bepalen in elk geval mijzelf mij de les. Ze herinneren mij eraan waarom God me hier, op deze plek aan de universiteit heeft geplaatst. Misschien niet alleen om mijn vakgebied vooruit te helpen, maar ook om ervoor mensen te zijn, in de enorm competitieve omgeving die de universiteit tegenwoordig is.’

Met dit essay komt een einde aan je werk voor de bijzondere leerstoel, die je ooit omschreef als ‘een loopplank tussen kerk en universiteit’. Heb je terugkijkend het gevoel een steen te hebben verlegd?

‘Ik ben dankbaar voor wat er allemaal gebeurd is. Op de loopplank tussen kerk en universiteit heb ik vooral zelf veel heen en weer gelopen. Het blijven eigen werelden, met eigen genres, eigen lezingencircuits en wat dies meer zij. Dit heeft zich weerspiegeld in mijn publicaties: ik heb zowel historische als theologische dingen geschreven. Shoppen in advent is mijn poging om die twee bij elkaar te brengen. Naar aanleiding van Shoppen in advent kreeg ik weleens de vraag hoe mijn augustiniaanse gedachten over verlangen zich verhouden tot sociologische studies over secularisatie. Welnu, zolang je daarbij denkt aan sociologie uit de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw, is die brug niet eenvoudig te slaan. Kijk je daarentegen naar hedendaagse historische, sociologische en antropologische literatuur over religie, identiteit en kerklidmaatschap, dan blijkt Augustinus een heel zinvolle gesprekspartner. In deze nieuwere studies gaat het namelijk voortdurend over ‘zelven’ die gevormd worden in praktijken. Steeds minder spreken sociologen over voortschrijdende modernisering. Steeds vaker hebben ze het over zulke concrete dingen als stijgende welvaart en toenemende vrije tijd. Volgens mijn collega Peter van Rooden ligt daarin de sleutel tot een goed begrip van wat hij ‘het sterven van het Nederlandse christendom’ noemt. Kerkverlaters in de jaren ’60 hielden niet allemaal op met bidden en bijbellezen. Maar hun kerkgang kwam onder druk kwam te staan omdat ze in het weekend druk waren met de inrichting van hun huis en met ‘leuke dingen doen’ – er op uitgaan met de auto of de caravan bijvoorbeeld. Ik wil maar zeggen: het loont de moeite om nieuwe wetenschappelijke studies te lezen. Van daaruit is een dialoog tussen theologie en sociale wetenschappen veel eenvoudiger dan met het oude secularisatieparadigma.’

Koos van Noppen

Een ingekorte versie van dit artikel verschijnt in Tijding, december 2019.

Het boek van Herman Paul wordt gepresenteerd op vrijdag 17 januari 2020, om 14.30 uur (inloop), het programma start om 15.00 uur. Locatie is ‘De Wittenberg’ te Zeist. Hijzelf houdt een lezing, prof. dr. Edward van ‘t Slot (Rijksuniversiteit Groningen), dr. Sjaak van den Berg (directeur IZB) en ds. Barbara Lamain (‘t Woudt-Den Hoorn)  geven een reactie. Toegang vrij, aanmelden niet noodzakelijk.

Deel dit nieuws: Twitter Twitter Google E-mail

Schrijf je in voor de IZB nieuwsbrief