In het net verschenen boek ‘Een kerk die kan’ hebben praktisch theoloog Marten van der Meulen en missionair werker Rudolf Setz veel ervaringen verwerkt van ‘Assen zoekt’. Missionair pionierswerk, niet in de kerkelijk wel toebereide aarde van de Biblebelt, maar op de taaie veen- en zandgrond van een middelgrote stad in Drenthe’, zoals PKN-scriba René de Reuver in het voorwoord schrijft. ‘Een kerk die kan’ is een pleidooi voor een gastvrije, inclusieve kerk.

Een inclusieve kerk is een gemeenschap waar zeer uiteenlopende mensen zich thuis voelen en ‘kunnen ontdekken of ze zich willen aansluiten bij de weg van Jezus’ (118). Die inclusiviteit is de roeping van elke christelijke gemeenschap, het is tegelijk ‘een kans voor de kerk om haar DNA, de kern van haar bestaan te herontdekken’ (127), schrijven de auteurs.

De term ‘Assen zoekt’ waar ze aan verbonden zijn moet vooral letterlijk worden genomen. De gemeente is ontstaan uit zo’n twintig gesprekken met stadsbewoners die niet (meer) naar de kerk gaan, over vragen als: ‘Hoe kijk je aan tegen God?’, ‘Stel dat we iets van een christelijke gemeenschap zouden beginnen, wat zou dan jouw advies zijn?’ Er bleek onderhuids veel verlangen te gisten, zij het nogal ongearticuleerd. Een verlangen naar spiritualiteit, naar goede relaties met medemensen, een verlangen om van betekenis te zijn.’

De gesprekken mondden uit in de opzet van een gemeenschap die is opgebouwd uit huisgroepen (8-15 mensen die samen eten, bijbelstudie doen) en missiegroepen (meerdere huisgroepen samen die grootschaliger activiteiten organiseren). Elke eerste zondag van de maand is er missiegroepzondag. Dan is er geen centrale dienst, maar kunnen de missiegroepen zelf iets ondernemen: een wandeling, een kinderdienst regelen, of sporten met buurtgenoten, etc. De leiders van huis- en missiegroepen ontmoeten elkaar frequent in ‘huddels’ voor overleg, gebed en coaching.

De leden van de gemeente hebben in hun netwerk mensen die zich niet tot de kerkgemeenschap rekenen. Naast de gerichtheid op God en geloof (‘boven’) en de verbinding met medegelovigen (‘binnen’) zijn er de contacten met de omgeving (‘buiten’), geïnspireerd door de tekst van de profeet Jeremia tot de ballingen in Babel: ‘Bid tot de HEER voor de stad waarheen ik jullie heb weggevoerd en zet je in voor haar bloei, want in de bloei van de stad is ook jullie bloei.’ De ‘bloei van je buurt’ is niet een bij-effect van kerkzijn, maar andersom: ‘kerkzijn begint bij liefde voor de wereld’, aldus Van der Meulen en Setz.

‘Een kerk die kan’ biedt een theologische en praktische verantwoording van een gastvrije, inclusieve kerk, die niet inzet bij het ‘verenigingsmodel’, maar bij het indivdu, die deel uitmaakt van een ‘alternatieve familie’, waar ‘altijd plaats is voor een bonte verzameling van mensen’ (78).

Bron

In hun ecclesiologische concept kunnen de auteurs meer met de metafoor van de verfrissende bron, waar de kudde het liefst dichtbij in de buurt blijft (centered set) dan van het weiland waarin ze met hekken en begrenzingen bijeen moet worden gehouden (bounded set). ‘Zolang we bewegen naar de bron, hoeven we ons minder zorgen te maken over de grenzen. De aandacht voor de bron maakt ook dat we scherp blijven op wat niet past bij de christelijke kerk. Er zijn genoeg dingen waarvan we weten: dit past niet bij het Koninkrijk dat Jezus voor ogen heeft’ (132).

N.a.v. ‘Een kerk die kan; zoek de bloei van je buurt’, door Rudolf Setz en Marten van der Meulen. 176 pag. € 18,95. www.eenkerkdiekan.nl.

Deel dit nieuws: Twitter Twitter Google E-mail

Schrijf je in voor de IZB nieuwsbrief