Op 26 april is het roepingenzondag. We spreken erover met theoloog en filosoof Erik Oevermans die afgelopen zondag intrede deed als predikant in Molenaarsgraaf. ‘Ik vertrouw erop dat er een Geestkracht is die mij de woorden in de mond legt.’
Oevermans woont met zijn vrouw en drie kinderen in een jaren-dertigwoning in Utrecht-Zuilen, op het randje van de volkse Betonbuurt. Een speeltuin voor de deur. De keuken is licht, dankzij een schuine glaswand die het achtertuintje verbindt met de binnenruimte. ‘Een architect kijkt net als een theoloog eerst naar het licht’, zegt Oevermans lachend, terwijl hij koffie met koek serveert. Hij vertelt dat Willem Jan de Hek, een van de predikanten van de Utrechtse Jacobikerk en architect, met het idee kwam om gebruik te maken van schuine hoeken.
Oevermans is naast theoloog ook timmerman. Bijna alles aan dit piekfijn verbouwde huis heeft hij zelf gemaakt. Ooit begon hij als rietdekker, in weer en wind op het dak. Fysiek werk betekent ook fysiek leed – en dat is een realiteit die in onze cultuur niet altijd wordt gezien. Uit die ervaringen kwam zijn opiniestuk ‘Kan het rauwer in de theologie?’ voort, dat Oevermans afgelopen najaar schreef voor het Nederlands Dagblad. ‘Sjouwen, uitbenen, zweten, slopen, jakkeren, schrobben … de wereld van de rauwe arbeid blijft vaak buiten beeld in de theologie’, zo schreef hij.

Wat mist de theologie als die dit leven niet laat binnenkomen?
‘Het leven zelf. De filosoof William James schreef dat we de ervaring moeten beschermen tegen de filosofie. Iets dergelijks geldt voor de theologie: we moeten soms het leven daartegen beschermen. Op de universiteit kun je wel klaverjassen over de realiteit, maar dat heeft het gevaar in zich dat je buiten de ervaring komt te staan.’
De wetenschap is tenslotte beschouwend. ‘Die is altijd van de tweede orde. Ik ben opgegroeid met een werkelijkheid waarin fysiek werk gewoon was: je staat om vijf uur op en bent tot vijf uur aan het werk. Je bent tien uur, soms in een hitte van 35 graden, aan het werk. Elke dag heb je wel ergens een wond, van een zere knie of een kwetsuur aan je rug. Je proeft wat het is om in het zweet van je aanschijn te werken. Dat is een basale ervaring van lijden, van weerstand. Daar komt het besef uit voort dat het leven alleen opgang kan maken als miljoenen mensen zich daarvoor in het zweet werken. Dat er een stoep ligt voor je deur, dat je naar de wc kunt: dat zijn allemaal basale ervaringen waar lijden aan ten grondslag ligt.’
We leven heel snel in bubbels. Het mooie van de kerk is nou juist dat het geen bubbel is. ‘Wijsheid, doorleefdheid: dat zijn deugden die je bij iedereen kunt vinden, hoog- of laagopgeleid. Ik heb een vrachtwagenchauffeur ontmoet die Chesterton leest, een hovenier die houdt van Tolstoj. Je kunt als predikant denken: ik zie het zonverbrande hoofd van een werkman, dus daar moet ik mijn preek op aanpassen. Maar de vraag is of iemand die de hele dag met excelsheets werkt, in het dagelijks leven niet verder van het evangelie af staat. Veel basaler is de ervaring van lijden, wat het aardse bestaan echt is.’
Je hebt heel lang aangehikt tegen op de preekstoel staan – ‘Ik zou liever willen zwijgen – dat is mijn ongeloof’, zo schreef je in een eerder interview. Wat hield je tegen om de kansel op te gaan?
Hij zwijgt een tijdje. ‘Ik vind het moeilijk om onder woorden te brengen wat roeping voor mij betekent. Ik heb er nauwelijks taal voor omdat het een mystieke ervaring is. Op de preekstoel kun je je niet meer verschuilen. Ónder die preekstoel kun je met een zekere vrijblijvendheid met iemand een boom ergens over opzetten. Frans Breukelman heeft het over een ‘binnenbrekend vooraf’, over teruggeroepen worden. Predikant is betaald luisteraar zijn; wat je opvangt, probeer je taal te geven. Preken is boven je macht werken, schrijft Bonhoeffer. Dat zijn woorden waar ik me aan spiegel; het is te groot, altijd te groot.’
Wat maakt dat je daar toch gehoor aan hebt gegeven?
‘Dat heeft te maken met het vertrouwen dat er een Geestkracht is die jou de woorden in de mond legt. Dan ben ik niet zelf niet meer de dragende grond van mijn spreken, maar wordt dat gedragen door de overtuiging dat er iets gezegd wil zijn.’
Roeping is ook iets dat je kunt ontwijken, waar je keuzes omheen kunt maken, om er niet aan toe te geven.
‘Eigenlijk is het bij mij pas afgelopen zomer tot overgave gekomen, toen ik bezig was met Etty Hillesum, haar dagboeken en mijn eigen dagboeken in een masterscriptie inbracht via een autobiografische methode, in een vraag naar onrust en overgave. Ook zijn voor mij de teksten van Dag Hammarskjöld, vooral in het dagboek ‘Merkstenen’, belangrijk geweest. Hij schreef bijvoorbeeld: “De inzet zoekt ons, niet wij de inzet. Daarom ben je er trouw aan, als je wacht, in bereidheid. En handelt – als de vraag gesteld wordt.”’
Oevermans vertelt over een ervaring die hij had als rietdekker – een vak dat hij tussen zijn zestiende en twintigste heeft beoefend. ‘Ik werkte op het dak in stilte. Wat ik daar ervoer, was een vorm van bestaansangst. Waarom ben ik er? Dat ervoer ik als een nood. Maar in de nood is er ook een wenk: iemand noden is ook een uitnodiging. Dat ik er ben, is ook een appèl.’
Die bestaansangst vindt hij terug bij Hammarskjöld, die schreef: ‘Ik verlang het absurde: dat het leven zin heeft. Ik vecht voor het onmogelijke: dat mijn leven zin krijgt. Ik durf niet, weet niet hoe ik zou kunnen geloven: dat ik niet alleen ben.’
Oevermans: ‘Daar zit voor mij de roepingsvraag: dat ik teruggeroepen word om het leven te leven, het leven met Christus.’ Hij staat even op om thee te zetten. ‘Ik heb er dus geen vroom verhaal over. Hammarskjöld heeft het over: je eigen stilte in gaan. Niets anders te ambiëren dan het welzijn van mensen. Naar de liefde te streven. Dat vind ik krachtig verwoord.’
Je wordt uiteindelijk ook concreet geroepen door een kerkelijke gemeente.
‘Ja. Dat is het element van uitwendige roeping, een gemeente die bij je aanklopt, naast de inwendige roeping waar we het net over hadden. Dat mensen uit Molenaarsgraaf op mijn pad kwamen, deed me beseffen dat er echt zoiets is als een stem van buitenaf. Je kunt erover nadenken, maar op zo’n moment wordt het een concrete bestaansvraag. Er zijn twee mensen die voor onze deur staan en die een beroepsbrief brengen. Ik heb de vrijheid om daarop te antwoorden – vrijheid en verantwoordelijkheid betekenen wat mij betreft hetzelfde. Dat roept de vraag op wat zo’n sprong dan kan dragen. Hammarskjöld benadrukt dat het lichaam en de ziel tal van mogelijkheden hebben. Op een gegeven moment is het niet meer jouw leven, jouw invulling van die duizenden mogelijke levens, maar is er een moment dat je wordt gekozen.’
Het had ook anders kunnen lopen, bedoelt hij. ‘Ik heb er ook weleens over gedacht om met een compagnon een timmerbedrijf uit te bouwen. Maar daaronder zit voor mij uiteindelijk de ervaring van verveling, verdoving en wegvluchten voor die verveling. Net zoals mijn liefde voor de filosofie ook ertoe kan leiden dat het boek een surrogaat wordt voor echte mensen.’
Hij begon met theologie studeren in 2018. ‘In 2019 ben ik gestopt. Ik ben een dagboek gaan bijhouden over de vraag wat er met me gebeurde. Ik heb dat ervaren als een innerlijke dialoog, of een dialoog met God. Ik dacht: ik heb ooit ergens ‘ja’ tegen gezegd; waarom gebeurt dit dan?’
In die periode hebben de dagboeken van Etty Hillesum hem veel gebracht, die hij later bij zijn scriptie zou betrekken. ‘Zij schrijft over onrust en overgave, over niet meer achter de feiten terug kunnen. Over een leven in dienstbaarheid, noem het liefde, voor de man die Christus heet. Vrij zijn betekent ja zeggen. Waar de Geest is, is vrijheid. Dat vind ik een mooie zin van Paulus. Die ervaring van vrijheid is echt. Dan kan niets je raken, ook al moet die vrijheid elke dag bevochten worden.’
Van wie heb je het geloof geleerd?
‘Mijn oma belichaamde de ervaring dat het goed is om met God te leven. De ervaring dat we nooit uit zijn hand vallen. Zij had een oprechte vroomheid. Ik at er elke dinsdag als schooljongen. Ik las er aan tafel uit het dagboek ‘Bij nachten en dagen’ van J. J. Poort. Dostojewski las ik toen ik 18, 19 jaar was. Het maakte indruk op mij zoals hij de mens beschreef, als een slagveld tussen God en de duivel. Ik word ook vaak getroffen door de verhalen die ik lees, pas nog door een mooi interview met Peter Schormans in De Nieuwe Koers. Hij zegt: “Waar het kapot is gegaan, werkt God ook”, “We zijn vooral een gebed. Ons leven is in Christus verborgen in God.” En: “God is teder. Hij is stil aanwezig in al ons doen en laten.” Dat vind ik heel mooie uitspraken. Van poppenspeler Jozef van den Berg leerde ik dat bekering iets is als bekeerd worden van ‘chronos’ naar ‘kairos’: de eeuwigheid geeft een ander tijdsbesef, je komt in een eeuwig nu te leven. Je bent, je wordt een mens van de dag. De poëzie van Willem Barnard en Willem Jan Otten lees ik ook graag. En als het over mensen dichtbij gaat: mijn vicaris, Jasper van Schaik, die mij bevestigde in Molenaarsgraaf, is voor mij ook belangrijk geweest.’
Hoe leef je toe naar het predikantschap?
‘Ik ben me op dit moment extra aan het verdiepen in verschillende thema’s die ik tegen zal gaan komen. Ik zie best een beetje op tegen het pastoraat, omdat je zo dicht bij de ziel van mensen komt. Hoe geef je je aandacht gestalte? Hoe kun je daarin met de ander zijn? Maar je moet er natuurlijk doorheen. Het ambt is een hutje waar je in kunt schuilen, leerde ik van een van de oud-predikanten van de Jacobikerk. Hoe kun je een bondgenoot zijn van mensen, dienstbaar zijn aan een gemeenschap? Ik zie er erg naar uit om dat te gaan ontdekken.’
Interview: Nels Fahner en Iris Molenaar
Meer interviews lezen? Aanmelden voor de Company of Preachers, onze maandelijkse nieuwsbrief voor voorgangers, kan hier.