Zoek

De dag die alles anders maakte

De dag die alles anders maakte
- uit het leven van Ad de Jong, Bleskensgraaf

13 november 1943. Ad de Jong, destijds 11 jaar, lag samen met zijn broer Wim in het gras op de dijk. Er kwamen zes Engelse gevechtsvliegtuigen over, die de veerboten op het Hollands Diep onder vuur namen die zojuist waren vertrokken vanuit de haven van Numansdorp. Het was een spectaculair gezicht, bloedstollend spannend. Op dat moment beseften de kinderen nog niet dat wat zich daar afspeelde, diepe sporen zou trekken in hun leven. Hun vader zou later één van de slachtoffers blijken te zijn.

24 november 2022

Aad (90) is geboren in Oud-Beijerland, in de Hoekse Waard. Vader is machinist op de veerboten naar Rotterdam, totdat de komst van de stoomtram en de uitbreiding van het vrachtautoverkeer één pont begin 1940 overbodig maken. Alles liever dan werkloosheid, denkt vader, want hij voelt zijn verantwoordelijkheid als kostwinner voor zijn gezin met 7 kinderen. Tegen heug en meug accepteert hij daarom een baan als machinist op de veerboot van Numansdorp naar Willemstad. Het gezin verhuist naar een dienstwoning van de Rotterdamse Tramwegmaatschappij in de ‘acht huizen’, aan de Molendijk in Numansdorp. De Jong: ‘Vader had een harde kant. Hij was niet makkelijk, ook niet voor zichzelf. Thuis was het geen vetpot. We waren net gesetteld in Numansdorp, toen de oorlog uitbrak. Ik heb Rotterdam zien branden… in de meidagen van ’40. Hoe vaak hebben we daarna niet bommenwerpers zien overkomen? Regelmatig werd er één neergeschoten. Het gebeurde eens onder schooltijd. Het ene na het andere vliegtuig van een vloot bommenwerpers op weg naar Duitsland werd uit de lucht geschoten en dat zagen we dan fladderend naar beneden komen. Als kinderen zochten we een schuilplaats in de gangen. Gelukkig viel er geen vliegtuig op de school; het kwam buiten de bebouwde kom op het land, waar mensen aan het werk waren. Ze bleven allen gespaard, onder wie een broer van mij, die daar al op jonge leeftijd meehielp.  
Een andere broer ontsnapte zo eens op het nippertje aan de dood, tijdens een bombardement op een meelfabriek naast de ambachtsschool. Vanuit de school was hij de fabriek in gevlucht en kreeg daar het neerstortende meel over zich heen. Hij kon zich er uit werken en is zo, wit van het meel, thuisgekomen, terwijl een vrouw, vlakbij hem, was omgekomen.  

Tijdens de luchtaanval op de veerpont, in 1943, had vader een goed heenkomen gezocht in de voorkajuit. Hij werd door een kogel dodelijk getroffen en is naar beneden gevallen. Het zinkende schip was nog in volle vaart doorgevaren, aan de overkant gestrand. Duitse soldaten en burgers pakten het reddingswerk aan op beide schepen die zwaar waren getroffen. Velen hadden bij de aanval het leven gelaten. Vanaf ‘de overkant’ hadden ze de stationschef gebeld, die had contact gezocht met onze dominee en hij is het bij ons thuis komen vertellen. 

Honger 
Moeder bleef met zeven kinderen achter. Ze was trouw en zorgzaam. Ik denk dat ze aan veel vragen niet is toegekomen; er was domweg geen tijd en rust voor. Ze was altijd druk met broeken verstellen, kousen stoppen, enzovoorts. Kleding die voor haar ene kind te klein was, werd passend gemaakt voor het volgende. De was en strijk, noem maar op, alles moest met de hand worden gedaan. Als kinderen hielpen we al op jonge leeftijd mee. Ook gingen we net als Ruth op het land werken; tarwe, erwten en aardappelen lezen, wat er ook maar te vinden was.  

Daar kwam nog bij dat de helft van de Hoekse Waard in september 1944 onder water werd gezet. Iedereen moest evacueren, dus ook wij. Waar naar toe? Moeder en drie kinderen gingen naar familie in Oud-Beijerland, twee kinderen werden ondergebracht bij familie in Papendrecht en nog twee, onder wie ik, in Dordrecht. Na zes weken kwam er een huurhuis beschikbaar in Oud-Beijerland, zodat we als gezin weer herenigd werden. We bleven er na de oorlog ook wonen. 

De hongerwinter van ‘44/’45 was berucht; lang en koud, met veel sneeuw en ijs. De geallieerde troepen rukten steeds verder op, tot zelfs al in Noord-Brabant. De Duitse bezetter werd steeds gewelddadiger en pakte alles af wat ze dachten nodig te hebben. Velen werd opgepakt om loopgraven en tankvallen te maken. Veel mensen in de steden stierven van honger en velen liepen, net als wij, langs de wegen, om voedsel te vragen bij de boeren. We hebben eens samen met anderen staan wachten tot de boer met zijn gezin de maaltijd had afgerond, en het overschot onder ons werd verdeeld. Ook stonden we in de rij bij de gaarkeuken voor watersoep, bij een noodslachting of een Duitse veldkeuken. Alle levensmiddelen die er nog waren kon je alleen kopen met de verstrekte distributiebonnen, dus schraalhans was keukenmeester. 
Achter deze verhalen stond een moeder die zichzelf als het ware opofferde om ons als kinderen – die al pubers werden – met alle moeiten en zorgen naar de volwassenheid te leiden. Dat heeft ze, zoals ze ons later vertelde, alleen door de zorgende en bewarende hand van de Heere, haar God, kunnen doen. 
In geestelijk opzicht was de oorlog een bijzondere tijd. Ik herinner me de stampvolle kerken, zelfs de gangpaden zaten vol. Mensen zaten tot op de trap van de preekstoel; anderen moesten staan in de overvolle ruimte, waarin zo nu en dan iemand onwel werd. Onder ons waren ook veel evacués. 
De nood van de tijd bracht ons met zovelen samen, toen. Maar na de bevrijding en uitredding, waarbij buurtfeesten en dankdiensten werden gehouden, verging het ons volk als Israël in de tijd van de Richteren. Velen vergaten Gods daden, er is zelfs op grote schaal kerkverlating gekomen. Laten we vurig bidden of de HEERE nog weer een reformatie wil geven, een terugkeer van ons volk.’  

Smid 
Door de verhuizing en de oorlog moest Aad vijf keer van lagere school wisselen. Daarna ging hij naar de ambachtsschool. Bij de toelatingseisen voor de opleiding tot automonteur viel hij af. Hem werd gevraagd om de schildersopleiding te volgen. Na een jaar kon hij die niet volhouden, wegens overgevoeligheid voor de verfdampen.  
‘Nadat ik enige jaren hier en daar had gewerkt, ontmoette ik de smid van midden op het dorp, die zei: “Ik wil een smid van jou maken”. Dat leek mij wel wat en ik ben er gebleven, heb er alle papieren gehaald om zelf een smederij te beginnen. Een broer van me had er wel oren naar om samen een zaak te starten, maar ik schrok terug voor de investeringen.’ 

Tussen dat leren door was ik opgeroepen voor militaire dienst. Ik heb in de periode ’52 en ‘54 op verschillende plekken ‘gelegen’, achtereenvolgens: Wezep, Utrecht, Amsterdam en Vught, om daarna na korte tijd af te zwaaien in – opnieuw-  Amsterdam. Tijdens de watersnoodramp van februari 1953 was ik thuis met verlof en werd ik opgeroepen zolang het nodig was om hulp te verlenen op verschillende plaatsen in de Hoekse Waard.  
In Amsterdam bezocht ik op een zondagmorgen een kerkdienst in de aula van het Tropenmuseum, vlakbij de Oranje-Nassaukazerne. Voorganger was dr. H. Jonker. Kerkelijk was ik wel trouw meelevend, maar ik was ik ook graag de vrolijke, ondernemende jongen, alhoewel ook wat bleu en van huis uit had ik een minderwaardigheidsgevoel. Op mijn manier deed ik mee met de rest van mijn leeftijdgenoten. De preek van dr. Jonker liet me niet los. Hij zei: ‘Wat is de grootste zonde? Het ongeloof.’ Dat greep me aan, nu nóg, als ik eraan denk. Had ik hem na de dienst maar aangesproken, maar dat durfde ik niet. Altijd maar dat twijfelen en niet durven. Zo blijf je met problemen rondlopen. 
Kort daarna bezocht ik op dinsdagavond 22 juni 1954 samen met iemand anders van de kazerne een meeting belegd door het Interkerkelijk Billy Graham Comité, in het Olympisch Stadion te Amsterdam, waar de bekende Amerikaanse evangelist Billy Graham, op tournee door Europa, zijn boodschap zou brengen aan duizenden toehoorders. Zijn vertolking van het evangelie raakte me zo diep, dat ik na zijn oproep samen met anderen naar voren ging en met mensen van de nazorg heb gesproken en gebeden.  
 
Belijdenis 
Niet dat ik daardoor op slag een vrome jongen was geworden. Alle post, traktaten, etc. die de afdeling nazorg me stuurde, verborg ik of gooide ik weg, uit valse schaamte voor mijn omgeving. Totdat op een dag de dominee bij ons aan de deur kwam (ik was inmiddels uit militaire dienst). “Jij bent bij Billy Graham naar voren geweest, zullen we eens met elkaar praten….Zou je nu ook niet naar belijdeniscatechisatie komen?” Daarmee zette hij me voor het blok en werd mijn valse schaamt en verzet gebroken. Op 17 april 1955 mocht ik door Gods trouw belijdenis doen. 
Daarna werd ik actief in de kerk (als wijkbroeder later ouderling), en in het verenigingsleven, ook in het jongerenwerk van de HGJB. Tijdens een van de vakantiekampen leerde ik Mas, mijn latere vrouw, kennen, ze was onderwijzeres en kwam uit Sluipwijk. Van haar heb ik veel geleerd en afgeleerd. Een echte juf.  
We trouwden in ’64 en vestigden ons in Nieuw-Beijerland, waar ik werk gevonden had bij een fabriek waarvan wij ook een huis konden betrekken. Na korte tijd zaten we in de leiding van de zondagsschool en het verenigingswerk. Ik werd weer ouderling. Mijn vrouw werd gevraagd om op het dorp en op diverse scholen in de omgeving vacatures te vervullen.  
De agenda was steeds gevuld, vooral toen de gemeente vacant werd. Ik raakte overspannen, waardoor ik soms voor een periode was uitgeschakeld. 

Toen dat weer eens aan de orde was, gaf ds. C. Trouwborst, indertijd onze consulent, ons het advies om te verhuizen, om zo een nieuwe start te maken. Hij wist dat ‘Graafzicht’ zou worden gebouwd, een bejaardencentrum met 32 aanleunwoningen, in Bleskensgraaf, de Alblasserwaard. Ik solliciteerde, hoorde een jaar niets en dacht dat het over was. Het bleek dat er later was begonnen dan verwacht. Toen kwam alsnog de uitnodiging voor een gesprek en werd ik aangenomen als huismeester bij de technische dienst. Op 1 april 1970 ben ik daar in dienst gekomen, terwijl men nog volop bezig was met de bouw. Vanuit de bouwkeet kon ik mij inwerken op de komende taken in het tehuis, samen met de benoemde directrice en in overleg met de uitvoerder. In juli kwamen van lieverlee de eerste bewoners; sommigen hoogbejaard, andere net 65 jaar of zelfs jonger. Intussen was ook al het personeel aangetrokken. Onder hen een hele klas leerlingen die net van de huishoudschool kwamen. Het was spannend. Hoe zal het gaan wanneer je allemaal voor het eerst gaat beginnen, zowel het personeel als de bewoners? 
De directrice was een diacones die van aanpakken wist. Ze had oog voor elke bewoner en medewerker. Op 6 oktober 1970 vond de officiële opening plaats.  Ik heb daar goede jaren mogen werken met diverse collega’s, om er met elkaar te zijn voor de bewoners. De meeste van hen waren nog actief, zoals in de hobbykamer of in de tuin; ze gingen er ook met elkaar op uit, op de fiets, of vissen in de vijver. Er was ook koorzang, er waren week- en avondsluitingen, we vierden gedenk- en verjaardagen. Maar er kwam ook rouw en verdriet – wat ons er steeds bepaalde bij de kortstondigheid van ons leven; we zijn ‘als gras, als een bloem van het veld’ (Ps. 103). 
Intussen zijn we 52 jaar verder en moest het eerste ‘Graafzicht’ plaatsmaken voor het nieuwe. Het is een zorgcentrum geworden, omdat de bewoners veel zorg nodig hebben.  

Eerbetoon 
Begin 2015 kwam ik onverwacht in contact met de heer Pijl uit Zuid-Beijerland. Zijn ouders en broer zaten op 13 november ‘43 als passagiers op de boot van mijn vader. “Mijn moeder was van mij in verwachting”, zo vertelde hij mij. Tijdens de luchtaanval stonden ze aan de reling, zijn vader beschermend om zijn moeder heen. Zij hebben het mogen overleven. De heer Pijl werd in februari 1944 als een gezonde jongen geboren.  
Als eerbetoon aan degenen die omkwamen, heeft hij zich ingespannen voor de oprichting van een gedenkplaat, in Numansdorp, met de namen van de getroffen personen. De plaat is bevestigd aan het gebouw van de havenmeester van de rijkshaven in Numansdorp. Wij waren als familieleden uitgenodigd voor de onthulling, op 9 juli 2015. Zo werd de inspanning van de heer Pijl beloond en dat deed ons allen goed.’ 

Als 90-jarige heeft meneer De Jong veel om met dankbaarheid op terug te blikken. ‘Hier in Bleskensgraaf gingen Mas en ik samen naar de zangvereniging, samen met anderen zaten we in de leiding van de zondagsschool, gaven jongeren bijbelkring en catechisatie en leidden de zondagavondzang. We zaten in het comité van In de Rechte Straat’ en organiseerden in enkele dorpen de collecten voor ZOA-Vluchtelingenzorg. Ook stond mijn vrouw weer regelmatig voor de klas, hier en in de omgeving. In de schoolvakanties kwamen nichtjes en neefjes logeren. Eén van hen heeft dat zelfs volgehouden tot twee dagen vóór haar trouwen.  
Samen gingen we ook met verschillende reisverenigingen of met familie op vakantie. We maakten vele fietstochten langs de Rijn, de Moezel, de Bodensee en de Donau – tot aan Wenen. De fotoboeken met de reisverhalen in de kast zijn er de stille getuigen van hoe we daar ook van mochten genieten.’  
En dan zijn er de knipselmappen over bejaardenkoor ‘De Lofstem’, waar de heer De Jong jaren dirigent van was. ‘“Dat kun jij wel”, had de diacones gezegd. ‘Zo is het begonnen…we zongen eerst eenstemmig, later driestemmig.’ Het koor ging meer dan 25 keer op concertreis. ’s Morgens was er ontspanning, dan de maaltijd en daarna het optreden, op veel plaatsen in ons land. 

Geen cent 
De tocht door het leven kende ook diepe dalen. ‘Het boek ‘De mens in grenssituatie‘ van dr. H. Jonker, bepaalt ons erbij hoe we plotseling met de dood geconfronteerd kunnen worden. Zoals dat Blaise Pascal overkwam, die eens op een donkere avond, vol storm en regen in een koets de Seine in Parijs overstak, over een brug zonder leuningen. De paarden gleden uit, de koets bleef op het nippertje hangen. Pascal zag de eeuwigheid in die bange ogenblikken op zich afkomen. Hij is gered en het bracht hem tot bekering. 
Zo zijn er in ieders leven wel gebeurtenissen of voorvallen van bijzondere bewaring. In mijn jeugd sprong ik eens achterstevoren uit een rijdende tram, want de conducteur kwam er aan en ik was stilletjes meegereden zonder kaartje. Ik buitelde langs de palen en wissels en kwam weer bij in het gras. 
Later maakten mijn vrouw en ik nog eens een spannend moment mee in de auto. Een tegenligger kwam ons uit de file zomaar op onze weghelft tegemoet en stoof rakelings langs ons heen. Als je terugkijkt, zie je telkens de sparende hand van de Heere.    
Maar ook op een heel andere wijze, zoals in 2009. Het gebeurde in het ziekenhuis, tijdens het aanbrengen van een stent in een van de kransslagaders, dat de dokter even het beeld kwijt was en daardoor te ver was gegaan. Er ontstond een gaatje in een zijtak, waardoor een bloeding ontstond en het hartzakje volliep. Hierdoor verloor ik het bewustzijn. Alles is in het werk gesteld om mij te redden. Dat mocht wonder boven wonder gelukken. “De Heere God heeft u en mij geholpen”, zei ik tijdens een goed nagesprek met de arts. “U zegt de Heere God, ik God Allah”, reageerde hij. Pasgeleden kwam ik diezelfde arts tegen, in de gang van het ziekenhuis. “Nou en of ik dat nog weet!”, zei hij. “Het heeft ons beiden veel gedaan.” Dat deed me goed.  

Getuige zijn, dat is een opdracht. Niemand heeft het recht om onbekeerd te zijn. Wat doen we ermee? Tot de Heere gaan. Hij zegt: Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen. Hoe moeilijk het ook kan zijn, de Heere belooft het. Die belofte is mijn pleitgrond. In Hem, de van God gegeven Zaligmaker, vind ik mijn troost in leven en sterven, als een aanhoudende bedelaar.  

Uitzicht 

Helaas bleef ons huwelijk kinderloos. Dat gaf spanning, verdriet en gemis. We konden het met elkaar delen en het samen bij de Heere brengen. Zo kwam er door de tijd heen rust, geen berusting. Het gemis bleef, vooral bij bepaalde gelegenheden of gebeurtenissen. We hebben ook samen nagedacht over later en daar het nodig voor geregeld. We vonden een geschikte executeur testamentair, die ons daarbij hielp. 
In september vorig jaar overleed mijn vrouw, na een huwelijk van 57 jaar. ‘Zij is vaak mijn mantelzorger geweest. De laatste tijd mocht ik het voor haar zijn, nadat ze door een lekkende hartklep steeds zwakker werd en veel zorg nodig had. We waren net verhuisd naar dit nieuwe appartement, in het verzorgingshuis, toen ze hard achteruit ging. Slechts tien dagen heeft ze hier gewoond. De dominee was op het laatst nog op bezoek, hij heeft haar de zegen gegeven. Daarna citeerde zij met haar laatste adem een psalm:  
 
Maar ’t blij vooruitzicht dat mij streelt,  
ik zal ontwaakt uw lof ontvouwen,  
U in gerechtigheid aanschouwen,  
verzadigd met uw goddelijk beeld. 
 
Bij alle verdriet en gemis, is dat een diepe troost.’ 

(Een beknopte versie van dit verhaal is verschenen in Lichtspoor, een uitgave van de IZB, no. 6, december 2022).