'Mijn bezwaar is dat de Bijbel vaak wordt geabstraheerd tot een ‘boodschap’. We maken een samenvatting van een pericoop en daar gaan we dan de boer mee op.' In een interview neemt emeritus-hoogleraar dr. Eep Talstra geen blad voor de mond. 'Mag de Bijbel ook nog voor zichzelf spreken?'

(Dit interview is ook als PDF beschikbaar).

De protestantse traditie heeft op dit moment een groot probleem met de Bijbel en zoekt haar heil in heel klassiek verantwoorde, of juist in heel gezellige vormen van liturgie.’ De man die de steen in de vijver smeet, tijdens het Preekfestival, heet Eep Talstra, emeritus hoogleraar aan de Vrije Universiteit. Het punt dat hij wilde maken, zit ‘m zo hoog, dat hij het graag nog eens in een interview uiteenzet. Het werd een indringend gesprek. Hij ziet dat links en rechts in de kerk, en in het publieke debat  de Bijbel wordt gemuilkorfd of slechts mag buikspreken. ‘Ik bepleit de vrijheid van meningsuiting voor de Bijbel.’
De lezer zij gewaarschuwd: bijbellezen wordt er niet eenvoudiger op, maar zeker boeiender.

Talstra was jarenlang (1991 – 2002) buitengewoon hoogleraar ‘bijbelwetenschappen en alfa-informatica’ aan de VU. Hij ontving de Mallinckrodtprijs, die slechts éénmaal in de tien jaar wordt uitgereikt voor de beste theologische dissertatie van een openbare universiteit. Hij promoveerde in 1987 in Leiden cum laude op een proefschrift over ‘Het gebed van Salomo’. ‘Grensverleggend’, noemde de jury de computerondersteunde tekstanalyse van de Bijbel. Vanaf 2002 tot aan zijn emeritaat, in 2011, was hij naast zijn informaticawerk ook hoogleraar Oude Testament aan de VU.

‘Mijn bezwaar is dat de Bijbel vaak wordt geabstraheerd tot een ‘boodschap’. We maken een samenvatting van een pericoop en daar gaan we dan de boer mee op. Als je wat linkser bent, draait het om vrede en gerechtigheid; als je wat rechtser bent, gaat het om verzoening. Mag de Bijbel zelf nog aan het woord komen? Als je orthodox-protestantse theologen hoort, denk je: ze lezen eerst de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Dordtse Leerregels en de Heidelbergse Catechismus en dan misschien de Bijbel nog eens. Ze zullen het gelukkig altijd tegenspreken, maar feitelijk gaat het op die manier. Aan de andere zijde van het spectrum vind je moderne theologen die de Bijbel graag ter hand nemen als een hulpmiddel op weg naar een betere wereld. Mag de Bijbel nog voor zichzelf spreken? Is de moeizame geschiedenis die God met mensen gaat ook een thema?

Door de tekstanalyse met behulp van computers heb ik veel meer oog gekregen voor de ‘spelsituatie’ in bijbelteksten. Dat klinkt nogal vaag, maar ik bedoel concreet: hoe de stukken op het bord staan, hoe de ‘spelers’ met elkaar communiceren. Als je de spelers in de tekst volgt, dan ontdek je waar opvallende schakelingen zitten, waar de computer soms uit de bocht vliegt omdat het literair anders gaat dan de taalkunde voorspelt. Daar gebeurt van alles wat zich niet goed laat samenvatten tot een ‘leerstuk’ of een abstracte prediking.

Mijn collega’s zeggen weleens: Jij laat de ‘hoofdpersonen’ uit de pericoop in je preek allemaal met elkaar praten. Dat klopt, dat leerde ik uit de Bijbel. Ik hoef niet over een samenvatting te preken, maar ik moet de spanning in een pericoop laten zien. Daarbij loop ik geregeld tegen dingen aan die tekort komen in de gangbare theologie – of die nou modern is of klassiek.’

Maar er is toch zoiets als een regula fidei? Als ieder zijn eigen interpretatie mag geven aan de Bijbel, eindig je bij een eindeloze versnippering – het is een bekend argument in het gesprek Rome-Reformatie. U herkent toch de spanning?

‘Jawel. Maar in de rationele rederingen van de Reformatie lijkt de Bijbel een soort vergunningensysteem te behelzen: wat vindt de Almachtige? Daarmee ga je voorbij aan de ‘doorgaande plot’ van de Bijbel en dan kun je inderdaad alle kanten op. In Jesaja 2 lees je dat mensen hun zwaarden moeten omkeren tot ploegscharen, in Joël 3 staat precies het tegenovergestelde. ‘Smeedt uw ploegscharen tot zwaarden’… Al moet je dan wel even naar het adres kijken!’

De ‘doorgaande plot’ betekent…?

‘…dat de Bijbel geen rangeerterrein is waar je in alle richtingen kunt oprijden. Althans, het kan wel, maar dat leidt nergens toe. De plot duidt op een weg, die we al bijbellezend lopen, met God aan onze hand (of wij aan Gods hand, afhankelijk van je vroomheid). En er zijn episoden die achterhaald zijn, ook voor God zelf. Dat betekent dat teksten niet meer voor allerlei uitleg vatbaar zijn.

Om maar wat te noemen: er zijn mensen die verlangen om de tempel van Ezechiël te herbouwen. Dan denk ik: Jezus heeft gezegd dat dat niet meer nodig was, dus dan moet u kiezen. Dus ófwel u volgt Jezus van Nazareth en dan is het een uitgemaakte zaak, want God is nu anders onder ons dan ten tijde van de tempel, ófwel je zegt: nee, ik wil een heilige plek hebben en daar moet Hij zijn. Ik wil niemand iets verbieden, maar zeg slechts: je moet het methodisch netjes doen. Als christenen proberen we de route van beide testamenten te lopen. Als iemand dat niet wil, even goeie vrienden, maar zeg dan duidelijk waar je staat.

In Jeremia (3:16) blijkt de ark weggevoerd of vernield, die komt niet meer terug. Het is een leuke religieuze happening om ‘The Lost Ark’ te gaan zoeken, maar wie dat doet, heeft het niet begrepen. Als-ie weg is, is-ie weg.

Jeremia zegt ook: ‘Jullie zullen niet meer zeggen: Zo waar de Here leeft die ons uit Egypte heeft gehaald, maar: zo waar de Here leeft die ons uit ballingschap heeft teruggehaald’ (16:15). God begint opnieuw. Dat wil niet zeggen dat het beginstuk waardeloos is geworden, maar het gedrag van Israël, of de pijnlijkheden van de geschiedenis zelf hebben dat geneutraliseerd. Dat bedoel ik met ‘het lopen van een traject’.

De Bijbel geeft niet per bladzijde vergunningen af voor een bepaald gedrag. Dat denken protestanten soms, met hun sterke rationele traditie, maar daarmee gooien ze de geschiedenis overboord.

Daarmee wil ik een theologische noodzaak aanwijzen. Je kunt dan twee dingen doen: ofwel je ontwikkelt een leer, een logica die de uitleg ‘binnen de perken’ houdt. Dan krijgt de kerk of het leergezag het laatste woord over de uitleg. Ofwel je pleit, zoals ik doe, voor vrijheid van meningsuiting voor de Bijbel zelf. Dat betekent niet dat het een grabbelton is waar ieder het zijne uit kan halen, maar wel dat je als lezer de trajecten en de episodes serieus hebt te nemen: zo zijn we met God de geschiedenis doorgegaan.’ Dan lees je ook dat de hoofdrolspeler in de Bijbel, God, regelmatig “ik” zegt. Die rol van God is in feite het zwijgen opgelegd in onze liturgieën, dogmatieken en filosofieën. Het gaat zo vaak alleen maar ‘over God’, als mijn vriend of als mijn probleem. Dat heb ik op het Preekfestival geprobeerd te laten zien.

En een predikant probeert de pericoop in zekere zin te reconstrueren en uit te leggen binnen het verband van die route.

‘Ja, dat komt dan vanzelf aan de orde. Als je preekt over de uittocht uit Egypte vereist de hoffelijkheid ten opzichte van de tekst dat je helder maakt dat God een gevecht heeft met de godsdiensten van Egypte én met het volk Israël, dat Hem eigenlijk wantrouwt. Dat is een pijnlijk proces, een worsteling, die ze uiteindelijk tot een goed einde brengen, ook al is het pas de volgende generatie die het beloofde land binnengaat. Vervolgens moeten de profeten kijken of ze het daar volhouden. Als je daarover preekt, hoef je niet steeds hetzelfde historische verhaal helemaal af te draaien, maar je kunt evenmin doen alsof je altijd meteen maar de laatste bladzijde van die episode leest. Maar de heftigheid van die worsteling, het levensechte van de Bijbel, dat mis ik zo vaak in de huidige liturgie.’

Terwijl die heftigheid wel in de pericoop zit…?

Uiteraard. Maar omdat we de uitkomst menen te weten, wordt het allemaal zo netjes en braaf, om niet te zeggen: kleuterschoolachtig. Zo wordt God tot zwijgen gebracht.’

Waarom maken we het zo netjes?

‘Omdat we bang zijn dat we onze klandizie verliezen. Je moet kerkgangers een beetje te vriend houden, is het misverstand. Maar ik denk ook dat het een vorm van secularisatie is. De ‘vrome bijbeluitleg’, waarbij de uitkomst eigenlijk al vantevoren vaststaat, is eigenlijk een vorm van rationalisme. En ik zie dat als secularisatie. Er is een systeem gecreëerd dat functioneert als een vluchtheuvel. God heeft niks meer te doen. Het is een wonderlijke paradox in kerk en theologie: we zijn orthodox én vuurbang dat God nog als het ware ‘open’ is, want daar word je maar vrijzinnig van.’

Dus menen we God te moeten domesticeren?

Ja, vroeger hadden we daar de stevige varianten van de dogmatiek voor, maar daar werd God wel een beetje erg almachtig en onhistorisch van. Nu moet Hij weer de vrolijke buurman zijn die het beste met ons voorheeft. Eeuwenlang hebben we geprobeerd om met een goed filosofisch-dogmatisch systeem helder te krijgen waar christelijk geloof over gaat. Hoe je het wendt of keert, de wedstrijd met de moderniteit hebben we daarmee volstrekt verloren. En als mensen stilletjes of met slaande deuren de kerk verlaten, laten ze de Bijbel daar ook achter, want die is van de kerk… (Overigens: dogmatiek hebben we nog steeds hard nodig om uit te leggen waarom we in onze maatschappij de bijbel hardop laten klinken.)

Om nu niet terug te hoeven naar de (ingewikkelde) Bijbel keert men in kerk en theologie vandaag graag terug naar de mystiek, of naar de Vroege Kerk. Het geloof moet nu beleefd worden, dan hoef je er ook niet meer over te redeneren. Maar besef wel dat je daarmee bezig bent een ghetto te creëren. We hebben ergens een wissel verkeerd gezet toen de Bijbel geheel in dienst genomen is van de klassieke leerstellige autoriteit en nu vervolgens in dienst van de beleving. Maar de Bijbel is niemands eigendom, want dan kan God niet meer vrijuit spreken; zij is klassiek cultuurbezit, niet alleen liturgische lezing, ook voorwerp van historisch onderzoek. Geef het boek alle ruimte om uit te spreken.’

Met andere woorden: Als de Bijbel niet zo in het bezit was genomen door hetzij maatschappijkritische hetzij orthodoxe theologie, dan zou het grote publiek meer betrokken zijn geraakt in het debat in de Bijbel? En dan zouden ze zich er niet zo gemakkelijk van hebben losgemaakt…? Op de Zuidas blijkt ieder mens geïnteresseerd in een goed gesprek diepere levensvragen. Maar leiden die tot geloof, tot grotere betrokkenheid op God?

‘Ik ben Billy Graham niet.’

Maar die teksten willen toch wat met mensen doén, in hun verhouding tot God?
‘Ja. Maar dat is vers 2. Vers 1 is: die teksten hebben allang iets gedaan. Deze God is allang bezig. Die teksten willen levens veranderen, inderdaad. Maar daar is God al eeuwenlang mee bezig. De primaire vraag is niet of ik nu moet gehoorzamen; de vraag is: Snap je waar God al zo lang mee bezig is? Zié je dat eigenlijk? Daar zit een mogelijke aansluiting voor een gesprek. Maar als je direct met de antwoorden komt, is het gesprek ook meteen weer voorbij.

De aansluiting zit op het niveau van de levensvragen. Het is geen garantie dat je gesprekspartner er christelijk van wordt, hoewel je dat ook nooit moet uitsluiten, want dat gebeurt ook. Maar je zoekt aansluiting op existentieel niveau.’

U was een tijd gemeentelid in de Amsterdamse Keizersgrachtkerk. Wij dachten dat het daar wel gangbaar was: de confrontatie met maatschappelijke kwesties en bestaansvragen, het openbreken van de bijbeltekst naar de werkelijkheid van vandaag. Dus het is al wel geprobeerd….?

‘Zeker, daarom zijn mijn eerste vrouw en ik er met veel plezier lid geweest. Maar op den duur irriteerde me de groepsmentaliteit: je moet bepaalde clubkleuren aannemen anders ben je dwarsligger. Het ging op een gegeven moment elke zondag over Nicaragua. Toen dacht: ik weet nu wel welke vreselijke dingen daar plaatsvinden, maar leg me nu eens uit wat er in Prediker staat…’

Met een zekere vertraging maken meer behoudende delen van de kerk – en ook de evangelicalen – nu de beweging naar bestaansvragen; vraagstukken van rijkdom en armoede, migratie en milieu, etc. komen er meer aan de orde op de kansel. Wat valt er te van eerdere ervaringen te leren?

‘Dat je niet langs de lijn van een ideologie moet redeneren of moet preken over ‘samenvattingen’, want dan krijg je een programma-theologie. Vroeg of laat staat er dan iemand op die zegt: “Jullie agenda deugt niet”. En dan houdt het op. Want je hebt het niet alleen over een agenda, maar over een identiteit. In de kerkelijke wereld is identiteit hetzelfde geworden als het getto – of de zuil – waarin ik mij opsluit. Terwijl ‘identiteit’ zou moeten verwijzen naar de geschiedenis die wij gemeenschappelijk hebben en waarmee we nu verder gaan. Zoals je in een gezin naar de fotoalbums van tien jaar geleden kunt kijken en zeggen: dat waren we en dat zijn we in zekere zin nog steeds.

Het samenvatten van bijbelteksten tot een boodschap is vaak heel beschadigend voor kerk en theologie, want daarmee wordt de kerk een van de vele stemmen op de reli-markt. Maar de kerk hééft geen boodschap, de kerk ís een boodschap. Zij is óók een manier van God om onder ons aanwezig te zijn.

Onze identiteit heeft zich in de voorbije eeuwen ontwikkeld, in strijd met anderen, ook in strijd met God. Dat bepaalt wie wij zijn. We moeten weer durven om een vorm van ‘evangelische aanwezigheid’ aan de dag te leggen. Dat is iets anders dan het uitdragen van een boodschap die goed is voor de wereld en waar niemand kritiek op mag hebben. Als je dat denkt, dan heb je het verhaal net te abstract gemaakt. Je wordt zo een verkoper.’

Evangelische aanwezigheid…?

‘Ja, aanwezig zijn als gemeente van Jezus. Niet met een sociaal programma, maar gewoon: presentie, om zijn aanwezigheid in de wereld te representeren. Maak je niet zo druk over je relevantie. Wat meer onbekommerdheid zou de prediking en het gemeentezijn goed doen. Die relevantie komt vanzelf aan het licht. Als iemand in een bedrijf op fraude stuit, komt-ie voor de vraag te staan: wat doe ik? Wat durf ik? Hou ik mijn mond, of word ik klokkenluider? Zo dringt het leven zich ook aan de gemeente op. Je loopt ergens tegenaan en dan doe je wat je hand vindt om te doen. Dat is iets anders dan zelf een actieprogramma uit te rollen. Het is evangelie is geen app ter verbetering van de mensheid.’

Wat is het doel van die ‘evangelische aanwezigheid’?

‘Hij wil ons in leven houden. Wij kunnen niet achter de stoel van God gaan staan om te zien wat Hij verder van plan is, dat is onze rol niet; we zijn principieel ontvangers. We kunnen ons van veel gebeurtenissen de vraag stellen waar het allemaal goed voor is, maar het zal waarschijnlijk tot de jongste dag duren voor we daar een antwoord op horen.’

‘Hij wil ons in leven houden.’ Maar er is ook ongeneeslijke ziekte; wij hebben soms geen leven.

‘Allemaal waar, maar ondanks dat zijn we er nog steeds. Datzelfde motief vind je bij de profeten. Neem Zacharia (7), waarin de vraag klinkt: Hoe lang moeten we nog vasten voordat Jeruzalem wordt herbouwd? Daarop volgt een kritisch uithaal van God: vasten doe je voor jezelf, voor Mij hoeft het niet. Ik vertel jullie alleen dat vorige generaties dit land als een puinhoop hebben achtergelaten. Dat is de laatste zin van hoofdstuk 7. De eerste zin van hoofdstuk 8 luidt: ‘Ik ben in passie ontbrand voor Jeruzalem…’ en dan volgt een luisterrijk visioen. Jullie vragen me nu eigenlijk naar de verbinding tussen hoofdstuk 7 en hoofdstuk 8. De enige verbinding die er is, is dat ze achter elkaar staan en dat God het initiatief neemt. Hij schept iets nieuws temidden van de chaos en sinds die tijd houdt Hij dat vol, terwijl wij moeten erkennen hoeveel er pijn doet, misgaat en kapot is. We hoeven het niet mooier te maken dan het is. Maar ik ben erg onder de indruk van Gods uithoudingsvermogen.’

We zitten nu midden in een ecologische crisis. Je kunt in een preek of zo’n passage uit Zacharia volgens u niet zeggen: Gemeente, God zal iets nieuws scheppen, uitkomst brengen….’

‘Nee, dan maak je er een programma van. Je kunt niet ‘aankondigen’ wat God zal doen. Hij gaf nooit op, dat is wat we kunnen lezen. Je kunt op z’n best extrapoleren: zo hebben we God leren kennen in de geschiedenis. Dan formuleer je hoop. Wij hebben Gods agenda niet in handen, maar we hebben een God die tot op heden en ik hoop ook tot in eeuwigheid volkomen te vertrouwen is. Hij is de Schepper van hemel en aarde, en heeft er alles aan gedaan, tot en met Jezus Christus, om met ons het leven te leven en in het leven te houden. Hoe dat afloopt, weet ik niet. Maar ik ben er van overtuigd geraakt dat Hij volstrekt betrouwbaar is.’

Dat zeggen ook veel ‘harmlose’ predikers, die u onder kritiek stelt – Wat is het verschil?

‘Het maakt verschil of je de route waarlangs je tot deze overtuiging bent gekomen weglaat of niet. God heeft er onderweg, in de geschiedenis, ook enorme pijn aan beleefd. Dat moet je aan de orde kunnen stellen. Ik heb geen idee hoe je dat inbrengt in een sluitende systematische theologie, maar je zult het op een bepaald moment moeten aankaarten.

Ik heb wel eens gepreekt over Ezechiël 20; dat gebeurt volgens mij bijna nooit. God gaat daar de generaties van Israël langs. In Egypte dienden ze de afgoden. “Daar moet je mee ophouden, Ik zal jullie bevrijden, voor het oog van alle volken. Dan moet je Mij dienen.” Maar dat deden ze niet. Toen zei Hij: “Ik had ze willen vernietigen, maar heb het niet gedaan.” (Daar zegt God dus “ik”) In de woestijn wilde Hij keer op keer vertrouwen bij hen wekken; telkens tevergeefs. Dan volgt weer: “Ik had ze willen vernietigen, maar Ik heb het niet gedaan.” Je kunt daar in kalme vroomheid een theologisch inzicht uit destilleren, maar dan loop je het risico een ‘samenvatting’ te formuleren, terwijl je achteloos aan het hele geding voorbijgaat. We zouden veel meer oog moeten hebben voor de geschiedenis van bloed, zweet en tranen die tot dat inzicht hebben geleid.’

De theologie filtert teveel uit, vindt u.

‘Ja. En onze liturgieën ook. Om het scherp te zeggen: als predikanten over de liefde van God spreken, maar de rest verzwijgen, is dat valse profetie. In het lied van Mozes, aan het slot van Deuteronomium, zegt God dat Hij op het punt stond om het volk Israël weg te vagen, maar er van af zag, uit angst wat andere volken dan wel niet zouden zeggen. “Ik (!) vreesde de hoon van de volken”. Hij wil niet de naam krijgen van een ‘mislukte’ God. Hij staat dus voor een dilemma. Je voelt de spanning

In Exodus 33 zegt God: “Ik (!) ga zelf niet langer mee, ik hou er mee op. Ik zal een engel meesturen en met jou iets nieuws beginnen.” Maar daar gaat Mozes niet mee akkoord. ‘Dat kan niet; ik ben niet los leverbaar.’

Laten we daar eens op inzoomen: in een preek kun je die dialoog tussen God en Mozes meeslepend uitwerken. Dat is de winst van deze manier van bijbellezen, die u bepleit. Er staat wat op het spel. Je krijgt meer oog voor het karakter van God, de emoties in de onderlinge relatie. Maar er komt een moment dat je het historische of contextuele naar het heden moet ‘vertalen’ en dan wordt het spannend. We kunnen niet voorspellen wat God doet, misschien staat God vandaag nog steeds wel in zo’n dilemma. Moet je als predikant dat dilemma van God schetsen? Of kies je de kant van Mozes, die zegt: als Uzelf niet meegaat, dan wordt het helemaal niks.’’

‘Je moet die geschiedenis niet te snel doorvertalen naar de ‘eigenschappen Gods’, want dan wordt Hij tijdloos. Vertel het héle verhaal, van de dilemma’s, de ruzies, de spijt – en het besluit om toch maar weer met elkaar door te gaan. Zodra je preek teveel een ‘garantiebewijs’ wordt, houdt het op. Maar ik denk dat wij tegen God zouden kunnen zeggen: “U hebt toch met Jezus Christus aan het kruis de machteloosheid van de machten openlijk tentoongesteld? U hebt Hem daarna toch opgewekt, waardoor dat hele circus van straf/vergelding/het recht van de sterkste buiten de orde is geplaatst? Dat alles gaat U toch niet weggooien?’

Buiten de orde. Welke orde?

‘De orde waarin de sterkste altijd gelijk heeft, of de orde waarin schuld iets is wat je voor eeuwig aankleeft… Kijk maar naar de media: als je één keer een fout maakt, wordt dat je de rest van je leven elektronisch nagedragen. De orde van deze wereld is buitengewoon onbarmhartig.’

Dat leidt dus tot de klacht.

‘Ja, daar zijn Psalmen voor. We moeten alle genres meenemen.’

…waarin we ook mogen zeggen: U hebt de machten buiten orde gesteld, maar we zien het niet?

‘Zoals de zielen onder het altaar vragen: Hoelang nog? Houdt dit nog een keer op?’

Zou het mogelijk zijn dat God vandaag woedend is?

‘Waarom niet?’

Waar horen we dat ooit, van de kansel, in kerk of theologie?

‘Daar zijn we te schijterig voor. Maar het is een belangrijke vraag. Opnieuw moet je dan zeggen, net als Mozes: “Als U boos bent omdat U groot gelijk hebt, dan blijft er van ons niks over….” God moet soms weer de vlammen van zijn toorn bezweren, zoals de psalmen dat zeggen. Dat is geen trucje.

Kun je dan als prediker ook tegen God zeggen: “U kunt wel boos zijn, maar kunnen wij het helpen? U moet Zelf wat doen! Mag dat?

‘Nou, wij hebben er niks aan gedaan en wij weten nu niet meer waar we naartoe moeten. Wij kunnen er best iets aan doen, maar het gebeurt niet. We zouden de wet kunnen volgen en dan doen we dat niet. Dat is het raadsel van de Bijbel. Je moet dat laten staan als een probleem dat óók God uitdaagt. “U houdt van mensen. Ze maken er een rotzooi van. Hoe moet het nu verder?” Ik heb dat in preken wel eens geprobeerd. Je kunt natuurlijk zeggen God zit in zijn hemel, Hij heeft eeuwig gelijk. Hij had altijd al gelijk, maar wat moet Hij daar eigenlijk mee? Als God zijn gelijk haalt, bestaan wij niet meer. We kunnen God niet chanteren (‘Kunt u niet iets afdoen van uw eisen?’). Dus zijn dit eigenlijk onoplosbare puzzels voor ons. Dat moet je laten staan.’

Maar je kunt de gemeente toch niet zondag aan zondag confronteren met een flipperkast aan vragen? Wat is hierin het evangelie?

‘Dat we een laatste houvast hebben. Dat God tot onze verrassing zegt: “Ik heb inderdaad gelijk, maar daar ga Ik niks mee doen”. Dat blijft natuurlijk bijzonder. Het zou zeer voor de hand hebben gelegen als het verhaal was geëindigd bij de dood van Jezus. Dan was de conclusie geweest: de goede wil heeft het onderspit gedolven. Klaar.

Je zou zelfs kunnen zeggen dat de dood van Jezus God in zekere zin nog verrast heeft.

Jezus vertelt de gelijkenis van die landbouwers (Lukas 20). De wijngaardenier stuurt de ene na de andere knecht om de opbrengst van het land op te halen, maar ze worden allemaal omgebracht. Dan volgt die fascinerende tekst: “Ik zal mijn Zoon sturen, die zullen ze wel ontzien.” Nee dus.

Er zijn meer teksten in het Oude Testament waarin God op soortgelijke wijze ‘misschien…’ zegt. Jeremia 26:3 en 36:3. Calvijn en vóór hem Augustinus plaatsen dergelijk teksten (bijv. Jer.5) onder het kopje ‘retorica’: God weet alles al, maar wil ons iets leren, zeggen ze. Dan denk ik: Jullie kennen God beter dan Hij zichzelf kent. Ik denk dat je moet zeggen dat de Almachtige – óók in het Nieuwe Testament – steeds opnieuw voor verschrikkingen komt te staan. Momenten waarop je denkt: hier zullen we het dan helaas bij moeten laten. Maar Hij legt zich daar niet bij neer. Dát is het evangelie.’

Dus het spant erom, óók voor God?

‘Inderdaad. De verrassing, de verbijstering is dat God niets met zijn eigen gelijk heeft gedaan. Maar dat was zwaar. Ik ben de laatste tijd veel bezig geweest met Psalm 78. In veel bijbelvertalingen heeft die een heel braaf opschrift meegekregen: ‘De les van de geschiedenis’. De gedachte is dan dat God zijn wet aan Israël heeft gegeven, met de bedoeling dat elke nieuwe generatie die zou inprenten, opdat ze niet wordt als hun zondige voorgeslacht. Een mooie les? Maar je moet dan wel doorlezen. In vers 57, we zijn inmiddels bij de derde generatie die in het land Kanaän leeft en nog steeds God treitert. En dan staat er: zij waren net als hun vaders. Het gaat niet over de les van de geschiedenis, maar over de mislukking. De verwachting is niet uitgekomen. Dan staat er dat God Silo (het heiligdom) verlaat. Letterlijk: Hij verwerpt Israël; daar is geen woord Frans bij. En dan, als het toneel helemaal leeg is, lezen we: “Toen werd Adonaj wakker als een dronken soldaat, als overmand door wijn.” Alsof God bij zichzelf zegt: ‘Als Ik mezelf gelijk geef, blijft er niets over.

Het evangelie is dat God geen genoegen neemt met zijn eigen gelijk. Hij zorgt er zelf voor dat er geen einde aan komt. Maar die emotie over dat vastlopen moet je God niet afnemen.

Ontroerend vind ik dat, om aan het eind van Psalm 78 te lezen dat God wakker schrikt, als een dronken soldaat en dan een besluit neemt. Hij kiest David en Sion. Maar die keuze is later ook weer verloren gegaan en moest Hij weer opnieuw beginnen. Je kunt kerkgangers goed uitleggen dat we te maken hebben met een God die zelf soms van de logica van de gevolgen schrikt en iets nieuws begint. Dat ligt ook aan de basis van onze gebeden: dat God de patronen van deze wereld doorbreekt.

In het ‘nu’ van het pastoraat kun je onmogelijk de hele theologie van het Oude Testament doornemen. Op rustiger momenten moet je die onderbouwing wel aan de orde stellen. Zo van: Wat ik zeg heb ik niet verzonnen, maar ligt verankerd in een lange geschiedenis met God, met alle ups en downs.’

Kan dat ‘nu’ van het pastoraat plaatshebben in een profetische preek? Of lopen die genres teveel uiteen?

‘Nee, ik denk dat het wel kan, mits je de spanningsmomenten niet overslaat. Wanneer wordt een preek profetisch? Als de zweep erover gaat? Als je iets moois aankondigt? Of als je een paar momenten uit dat spanningsverhaal laat horen? Ik denk het laatste. Je legt de spanning bloot en het feit dat God zich er uiteindelijk niets van aantrekt en doorgaat; dat is het ‘nu’ van profetie én pastoraat. In mijn studententijd – de woeste jaren ’70 – waren Amos en Jesaja de gevierde jongens, want zij hadden maatschappijkritiek. Als professor Ridderbos dan zei: “Dames en heren, maar Amos doet toch ook voorbede?”, dan werd hij bijna de zaal uitgehoond, want dat was zo kerkelijk, dat deden we niet meer. Het gaat erom dat je beide rollen overeind houdt: zowel de stem van degene die op de zeepkist uitroept dat het een puinhoop is, als de stem van degene die zich biddend tot God richt: “U moet ons niet laten vallen, want anders blijft er niets van ons over”.’

Op het gevaar af dat we nu uw allergiezone betreden: er bestaat ook nog zoiets als een contemplatieve lezing van de tekst. Je eet het woord, je kauwt erop en herkauwt het, je wilt het niet buiten je houden. Die traditie heeft oude papieren. Daar gaat een mooie theologie achter schuil, van liefde voor het Woord. Als we u goed begrijpen begin je als predikant met een historisch-kritische en literair-kritische lezing, waarbij je de spaning in de pericoop blootlegt. Waar zit bij u de meditatieve stap in de preekvoorbereiding? Of kun je die overslaan?

‘Wat mij betreft wel. Die oude papieren zijn juist het probleem, alsof er daarna geen bijbelwetenschap is ontstaan. De meditatieve lezing gooit opnieuw de geschiedenis overboord. Zodra je middelen verzint om alleen het ‘nu’ belangrijk te verklaren, gaat het methodisch fout. Het draait het allemaal om de methodologie van exegese. Dat je op een bepaald moment een nieuwe stap zou moeten zetten weg uit de historische lagen, omdat het actueel moet worden, dat maak ik niet mee. Want het nu is een punt op dezelfde historische lijn.’

Het is volgens u eigenlijk een overbodige stap.

‘Een ondeskundige stap. Het is een soort weggooitheologie. Ik ben erg voor vroomheid hoor, ik vind de persoonlijke toeeigening van het heil zeer belangrijk, evenals de liturgische beleving. Maar zodra dat gepaard gaat met verwaarlozen van Gods lange geschiedenis met ons en alle pijnlijke ervaringen die daarin zitten, dan is het een leuke hobby, meer niet.’

Maar de geschiedenis zit toch in de verschillende lagen van de tekst, in de redactionele bewerkingen ‘samengeklonterd’?

‘Precies, dat is allemaal onderdeel van de methode van de exegese. Waarom zou het dan methodisch onjuist zijn – of zelfs verboden moeten worden – om van de tekstanalyse meteen de stap te zetten naar de prediking? Dat heb ik nooit begrepen. In mijn bijdragen aan congressen over ‘computer en Bijbel’ heb ik vaak teksten aan de orde gesteld waar ik een week later over heb gepreekt. Ik had niet het idee dat ik dan iets héél anders aan het doen was.’

Aandacht voor de geschiedenis, ook voor de geschiedenis van de tekst, de meerstemmigheid, etc. – allemaal mooi en terzake. Tegelijk kan het ook zo’n ‘redactie-aangelegenheid’ worden, dat er vragen rijzen naar de historische betrouwbaarheid: Is er nu ook nog iets gebeurd? Heeft God hier nu zijn voetstap gezet of hoe zit dat?

‘Terechte vragen. Ik denk niet dat we er verstandig aan doen om een soort reductiemethode toe te passen, waarbij de tekst zo wordt ontmanteld dat uiteindelijk nog slechts een heel klein groepje mensen met droge voeten door de zee heeft gelopen. Ik zou niet graag bij de “Brueggemann-achtige” conclusie willen uitkomen dat de Bijbel gaat over een werkelijkheid die uit onze eigen fictie bestaat.

De teksten gaan altijd over geschiedenis, namelijk die van vele generaties. Ik kan niets met een theorie over een verschillend soortelijk gewicht van teksten (‘dit gaat iets meer over geschiedenis en dat iets minder’). Veel teksten hebben iets mozaïekachtigs omdat ze uit zeer verschillende tijden zijn en dus ook uit zeer verschillende ervaringswerelden. Soms worden ervaringen als het ware op elkaar geprojecteerd. Ik werk aan een poging om dat allemaal op te schrijven, niet als ontmanteling van, maar als basis van theologie en geloof. Misschien moet mijn boek daarom wel de titel krijgen: ‘De Bijbel als kringloopwinkel’, zij het dat een collega bang was dat dat nogal spottend zou klinken. Maar toch is dat een juiste typering vind ik. En het is een bewijs van de kwaliteit van teksten, anders zouden ze toch niet zijn gerecycled? Is het historisch? Ja, maar elke bladzijde op zijn eigen manier.’

U bent kritisch op het bijbellezen vanuit een ‘samenvatting’, waardoor de tekst meteen in een ‘frame’ wordt gehoord. Maar niemand leest de tekst in een vacuüm; we horen teksten tegen de achtergrond van een uitlegtraditie. Bovendien: een frame geeft toch ook enigermate grip op de tekst?

‘Dat is waar, maar zo’n samenvatting kan de tekst ook vermorzelen. Neem alleen al de verlammende dwang van “hier moet een te prediken boodschap uitkomen”. Ik heb veel gepreekt en op grond van die ervaring durf ik wel te stellen dat je in plaats van een puntsgewijze opsomming van de ‘boodschap’ heel goed hoorders kunt laten “meebeleven” wat er in de tekst gebeurt.’

En dat volstaat dan?

‘Er zit ook dan genoeg evangelie in, mits je dat wel expliciet maakt: als wij ons in ditzelfde spel wagen, gebeurt er van alles met ons. Dat is niet alleen maar een waagstuk, dat is ook de weg waar je een levend mens bij blijft.’

We spreken nog door over de vraag hoe je deze visie op de Bijbel een plek geeft in de prediking. Een kerkdienst is tenslotte geen bijbelstudiebijeenkomst, je kunt niet elke preek voorzien van een bijbelwetenschappelijke bijsluiter.

Zoveel is duidelijk: we lezen de Bijbel teveel vanuit de abstracties. Hij geeft een uitvoerig exposé over Job. ‘Gaat het daar over de zin van het lijden? Ik zou zeggen: nee, dat is alweer veel te abstract. Hier staat God zelf ter discussie. De aanklager confronteert hem met de ultieme argwaan: Job heeft toch gewoon een deal met U? Hij gelooft toch niet ‘om niet’? Wat moet God daar op antwoorden? Hij kan wel zeggen: Geloof is geen deal met de Allerhoogste. Maar geen enkel antwoord overtuigt; alleen het leven zelf kan een antwoord op argwaan worden. God zet satan wel op zijn plaats (2:3): wat is jouw winst? Jouw argwaan is toch ook ‘om niet’; maakt stuk, niet heel. De basisvraag, ook temidden van alle sores, is: vertrouw ik Hem, of niet?’ Je ziet Job in zijn antwoorden aan zijn vrienden steeds vaker “U’ zeggen; hij spreekt over hun hoofd heen God aan; bijv. in 10:2,3: ‘wat is uw voordeel hierbij?’ Dat wordt hier uitgevochten: gaat het leven om winst, of om vertrouwen?

De vertrouwensvraag ligt aan de basis van Talstra’s wijze van bijbellezen. Dat weerspiegelt zich in de persoonlijke overtuiging van de predikant. ‘Het is een kwestie van ultieme eerlijkheid om te zeggen waar je zelf staat in het verhaal. Als je naar mijn besef te snel de rol aanneemt van degene die de waarheid komt neerleggen bij een ander, ben je de overtuigingskracht kwijt.’

Op ons verzoek mogen we zijn aantekeningen van een recente preek als bijlage meenemen, als illustratie bij zijn betoog. Het is een preek over Exodus 16, over het manna in de woestijn; een testcase, met het oog op het sabbatsgebod. Neem en lees….

Kees van Ekris
Koos van Noppen

 

 

Deel dit nieuws: Twitter Twitter Google E-mail

Schrijf je in voor de IZB nieuwsbrief