Komt het echte, ruige leven wel aan bod in de preek? Als dat bij 'gewone' preken al een relevante vraag is, dan zeker ook bij de kerstpreek, die de neiging heeft te vluchten in de romantiek van 'een pril gezin, wat huisdieren erbij, geluiden van een slapend land, een schemering van leugenachtigheid’. Kent het Kerstevangelie niet veel meer dystopie dan we denken? Waar is die eigenlijk gebleven in prediking en theologie?

(Dit artikel is ook als PDF te downloaden).

1 Intro

‘We hebben God vermoord en Vooruitgang op de troon gezet’
(Paul Kingsnorth in Trouw, 30 november 2019). 

Ja, denk ik altijd als ik zoiets lees, je hebt gelijk, dat is ergens de duistere drift in de dingen: het niet uit kunnen staan van God, een God die je tegenspreekt, die iets anders wil dan jij wilt.

Nog een keer Kingsnorth: ‘We hebben – echt ongekend in de geschiedenis – de band met het heilige doorgesneden. Aan het grootste gebouw kun je zien wat het belangrijkst is in een samenleving. Er is maar één samenleving waar dat geen heiligdommen zijn, maar banken. Onze ecologische crisis is een spirituele crisis, er is een geestelijke strijd gaande’.

Er is een geestelijkse strijd gaande – zo voelt dat inderdaad.

Ik denk steeds meer dat preken in de 21e eeuw een bepaalde directheid vraagt. Zeg wat je denkt, en zeg het helder. Benoem de strijd, en expliciteer wat er op het spel staat. Spreek over God, maar zo dat ook duidelijk wordt met wie God in gevecht is.

Dat geldt ook voor de kerstpreek. Geboorteverhalen zijn in de Bijbel vaak profetische geschiedenissen. De geboortegeschiedenis van Mozes, de oerprofeet in Israël, is een verhaal op leven en dood. Het eerste levensfeit van Mozes is dat hij moet ontsnappen aan de dood. ‘Moses is born in a world of genocide’ (Avivah Zornberg). Net als Jezus, die geworpen wordt in een wereld van kindermoordenaars. De eerste beweging in het leven van Jezus is de vlucht.

Samuëls geboorteverhaal is profetisch. Hij wordt geboren in een religieuze wereld vol verval. Zijn eerste profetie is het benoemen van de ondergang. Profeten worden geboren omdat er een wereld is die sterven moet en omdat er een wereld is die gered moet worden. Thema’s als ’val en opstanding’ omgeven Samuël. Net als Jezus.

Het geboorteverhaal van Johannes de Doper is een profetisch verhaal. Als de moeders van Johannes en Jezus elkaar treffen, wordt er gedanst, geprofeteerd en er gebeurt een strijdlied. Deze geboortes zullen mensen breken; anderzijds: gebrokenen zullen opstaan.

De kerstpreek staat in deze spanning. Het kwaad is in profetische geboortegeschiedenissen zeer reëel. Er is duister, en dat duister grijpt naar Jezus, naar de Zoon van God. Er gebeurt een aanslag op God. Maar het duister kan Hem niet breken – al sterft Hij aan een kruis. Daar ligt schitterende Evangelieverkondiging: er is duister, dat duister wordt met kerst alleen maar zichtbaarder. Maar je kunt eigendom van Christus worden en dus ook ongrijpbaar zijn voor het duister – al moet je nog veel duisternis meemaken.

Ik vermoed dat veel tijdgenoten juist deze accenten zullen herkennen. Er is veel dystopie in literatuur (dystopie, Van Dale: afschrikwekkend toekomstbeeld). In de volgende paragraaf laat ik dat zien. Er is misschien ook wel allerlei dystopie in de Bijbel – dat illustreer ik daarna. Daarna benoem ik het risico van een steriele kerstpreek en verwijs ik naar een kerstpreek van Rowan Williams die de desintegrerende krachten in zijn samenleving durft te benoemen.

Bij deze een long read over de kerstpreek. Een eerdere versie schreef ik voor Preekwijzer. Voor Areopagus Magazine heb ik het nog wat bewerkt.

2 Met het woord dystopie is de hel weer hip

‘Het woord dystopisch is een heerlijk elitair woord’, schreef Jean-Pierre Geelen in de Volkskrant. Het is ‘geheimtaal voor hele en halve, beetje linksige intellectuelen van de VPRO-, NRC- (en vooruit: Volkskrant)familie, met een vleugje hipsterdom à la De Correspondent. Het oprukken van de dystopie in taal weerspiegelt de angst. Trump. Populisme. Klimaat. Vluchtelingen. Terrorisme. Privacy. Dat maal Twitter plus Facebook en de ondergang is al bijna een feit.’

Mooi geschreven. In een kleine paragraaf wordt een wereld getypeerd.

Er zit nog zo’n zin in het stuk: ‘Met het woord dystopie is de hel weer helemaal hip’.

Het woord viel mij ook op.

Met vrienden keken we een tijdje geleden Melancholia van Lars von Trier: over een mislukt huwelijksfeest, over een planeet die op de aarde afkoerst en die op de aarde crasht, over alleen Justine, de psychic die meer ziet dan anderen, alleen zij ziet het aankomen, en alleen zij durft het einde onder ogen te zien. Tristan und Isolde van Wagner op de achtergrond. Een schaduw van ondergang over de film. Het eindigt in een negatieve catharsis, een catharsis zonder reiniging.

In de Utrechtse Stadsschouwburg zagen we afgelopen maand Fin de partie van Beckett. De zaal was uitverkocht, ik zag veel tieners en jong-volwassenen. Een stuk over absurditeit, zinloosheid en eenzaamheid, over het leven dat niet antwoordt op de vragen die het oproept. Regisseur Erik Whien: ‘Ik heb niet het idee: de wereld staat in brand, je kunt geen Beckett spelen. Ik denk: de wereld staat in brand, we gaan Beckett spelen.’

En tijdens het kijken naar het toneelstuk denk ik: hier moeten we het in prediking over hebben. Deze stemming ligt onder de oppervlakte.

Of denk aan de roman Foon van Marente de Moor. Een Russisch zoölogenechtpaar Lev en Nadja, (levend in een leeg landschap en in een uitgestorven dorp), horen een apocalyptisch geluid. Een geluid dat niemand anders schijnt te horen (net als in Melancholia, waarin alleen Justine ziet en hoort). Het is een geluid ‘alsof God met de meubels schuift’. Een geluid ‘te groot voor menselijke oren’, een geluid als bijverschijnsel van iets geheims.

Nog dystopischer is Lege harten van Juli Zeh, over Duitsland in 2025. BBB (Bezorgde Boze Burgers) is aan de macht. Britta Söldner, een onverschillige nihiliste, heeft een goedlopende psychotherapeutische praktijk voor zelfmoordpreventie. Tegelijkertijd zet ze een soort commerciële sluiproute op voor wanneer die preventieve therapie niet lukt, en voor wie dus wie wel een einde aan het leven wil maken: terroristische organisaties kunnen, onder strikte voorwaarden, in contact met hen komen en hen werven om hen in te zetten. Terrorisme, doodswens en cynisme als macaber toekomstscenario.

En wat dacht je van bestsellerauteur Noah Harari die speculeert over de toekomstige overbodigheid van grote groepen mensen, over het mogelijk ontstaan van een nutteloze onderklasse van mensen die geen economische en politieke waarde meer hebben (en waarvan Harari het niet zal verbazen wanneer die mensen op de een of andere manier moeten verdwijnen). Over een toekomst waarin de rijke minderheid van de wereldbevolking (mind you: de honderd rijkste mensen ter wereld bezitten meer geld dan de vier miljard armsten in deze wereld, dixit Harari), hun economische voorrecht kunnen gaan omzetten in biologische suprematie.

Terugkijkend op die lees- en kijkervaringen, realiseer ik me: wat zit er veel dystopie in goedverkopende romans, non-fictie, films en theaterstukken.

De dystopie is niet slechts iets voor extreme schrijvers als Houellebecq, Krasznahorkai of Sloterdijk. Het is een stemming, die te proeven is vlak onder de oppervlakte in het geestesklimaat van vandaag. ‘Voor mij is het het leven een dunne draad die over een complete leegte loopt’, zegt dertigerschrijfster Bregje Hofstede.

Moet je zo’n zin eens op je in laten werken. Hoeveel druk komt er dan op het leven te staan, als je op zo’n zijden draad loopt? Hoeveel dystopie zit er in zo’n eerlijke zin over de leegte onder de dingen? Misschien dat dit iets duidelijk maakt van de perfectieterreur die dertigers teistert. Zonder levensgeluk, dat zich steeds weer opnieuw bewijzen moet, donder je in een ravijn van leegte – dat is het gevoel. Daarom moet het leven, om de drommel, mooi en gaaf zijn.

De dystopie gaat, denk ik, niet primair over een gevreesde toekomst. Het is veel meer een extrapolatie van het nu. Het is een uitvergrote inschatting van wat sluimert en broeit in de huidige werkelijkheid en dat geprojecteerd op de toekomst. Als de dark power van machten, mensen en systemen vrij spel krijgt, die we nu al voelen en bevroeden, dan zal het mensenleven chaotiseren. Die werkelijkheden zijn er al. Het is de vraag of ze zich verder zullen ontwikkelen. Het is de vraag wie dat kan remmen, wie dat tij kan keren. If so.

3 Wilem Barnard, het escapisme van Kerst en de knots van Psalm 2

Wat heeft dit met de Kerstpreek te maken? Voor we het weten zit de kerstpreek in de hoek van escapisme. Met Kerst laten we al dat dystopische nu even achter ons. Zoiets.

Willem Barnard schreef er in Stille Omgang over. Ik lees het elke Adventstijd opnieuw. Barnard schrijft over de psalmen die de kerk voor de Advents- en Kersttijd heeft geselecteerd, zoals Psalm 2, Psalm 93, Psalm 98.

Over de knots uit Psalm 2, bijvoorbeeld, de ijzeren knuppel waarmee de nieuwe koning de oude machten mores zal leren. ‘Kerst behelst het Evangelie van een felle jonge Messias die niets moet hebben van de wereld zoals die reilt en zeilt door toedoen van zogenaamde wijzen en koningen, waar Jeremia schamper over sprak en waar de Psalmen welsprekend op schelden.’

Geboortegeschiedenissen zijn in de Bijbel immers vaak profetische gebeurtenissen.

Daarom Barnards woede over Kerstfeest als escapisme, als ‘het – voor een nachtje – vergeten van de machtststrijd’, als ‘vlucht in de innerlijkheid, als het inkeren tot de stille dingen, de zachte waarden, moederschap en tederheid, een lief plaatje van een pril gezin, wat huisdieren erbij, geluiden van een slapend land, een schemering van leugenachtigheid’.

De kerstpreek als wiegelied.

Maar in de Kerstnachtdienst hoort Psalm 2.

Het is niet zo vreemd dat Barnard juist de profetenteksten behandelt die het Kerstevangelie domineren. Kerstfeest is voor hem een ‘nachtfeest’, het gaat over de nacht in het broodhuis. Met behulp van Jesaja 8 probeert hij de nacht te verstaan, ‘de nacht van de tomeloze chaos die nog steeds in de mensenwereld voortduurt’, de nacht die herinnert ‘aan de ongeschapen boel die overal gecontinueerd wordt waar wij leven bij afgoden, bij goud dat blinkt, bij macht en bezit’, de nacht is de ‘benauwenis van geen god zien en geen brood’.

Plotseling denk ik: Kent het Kerstevangelie niet veel meer dystopie dan we denken?

De tempel en het priesterschap worden door God gepasseerd, net als in Samuël. Er zit villeine tempelkritiek in het geboorteverhaal. De Messias wordt geboren buiten het bereik van tempel en clerus.

Kerst gebeurt in een migrantengeschiedenis, vol lawaai, geduw en corruptie. Er is de raw power van Herodes, de Schreibtischmörder, die met een pennestreek de nieuwe generatie van een dorp uitroeit. Het zijn militaire en politieke grootmachten die het geestesklimaat domineren. Jesus is born in a world of genocide.

Als het in de Bijbel over koningen gaat, schrijft Barnard, ook in het Kerstevangelie, ‘dan gaat het niet over de staatshoofden van zulke ongevaarlijke vaderlandjes als Nederland of Denemarken, het zijn niet zozeer rechtssymbolen’, nee: ‘het gaat om krachtfiguren, empire-builders, of dat nu financiele empires zijn of militaire. Het gaat in zo’n profetentekst uit de Hebreeuwse overlevering niet om mensen met puntmutsen en kronen, nee, het gaat om cultuur en politiek, om know how en organisatie, om wetenschap en power, om laboratorium en hoofdkwartier. Daar wordt de dienst uitgemaakt, daar worden de lakens uitgedeeld en daar wordt de wereld verdeeld. Dat is de realiteit’. Het gaat om macht die moordcommando’s erop uitstuurt om een hele kampung plat te branden en alle kinderen dus te vermoorden, als daar misschien een Messiaans tegengeluid geboren zou zijn.

In het Kerstevangelie hoor je de dystopie in het geween van Rachel, huilend om haar kinderen.

En vergeet niet: ook de profetenteksten in het Oude Testament die Advent in de verte zien, hebben dystopische trekken. Er zit dreiging in. Als God komt zal het een dies irae zijn. We moeten ophouden te denken alsof incarnatie betekent dat God Zijn entree neemt in het beste hotel van de stad, om een prettig verblijf onder ons te hebben, schreef Noordmans. In de profetenteksten staat er hoogspanning op die relatie tussen God en mens.

Johannes de Doper zal die spanning belichamen en onthoofd worden. Over dystopische plekken gesproken. Voor Johannes en Jezus is deze wereld een dystopische plek. Johannes’ hoofd eindigt op een schotel. Jezus’ lichaam sterft van uitputting aan een kruis. De wereld als dystopische plek voor Stefanus, die gestenigd wordt, voor Paulus, die geexecuteerd wordt, en voor Petrus, die ook niet in bed met een warme kruik stierf. In de apocalyptische redes van Jezus, vlak voor zijn laatste dagen, wordt dat perspectief ook aan volgelingen voorgehouden. In deze wereld zul je vreemd zijn, en je zult volharding nodig hebben om vol te houden, maar in die volharding zul je het leven vinden.

Hoe is het eigenlijk mogelijk dat de dystopie uit prediking en theologie verdwenen is?

Johannes de Ziener heeft in zijn Apocalyps (hoofdstuk 13) het kerstevangelie als een dystopisch drama uitgetekend: een maagd/moeder, een kind (een zuigeling nog), een woedende draak, een achtervolging, keiharde vijandschap, ternauwertijd kunnen ontkomen, de woestijn, dit is het begin van een Fin de partie.

Paulus spreekt al snel na kruisiging en opstanding over de ‘machten die Christus gekruisigd hebben’, machten die van begin tot eind vijandig stonden tegenover deze Mensenzoon. En met die machten moet je nog steeds rekening houden, zegt de apostel. Daar ben je in werkelijkheid mee in gevecht! Achter de koningen en machtsconglomeraten staan ontwrichtende tegenmachten (dunameis, exousiai, stoicheia, archontes, kurioi, thronoi, Paulus varieert in taalgebruik, Herrenlose Gewalten zal Barth meesterlijk zeggen) en voor hen is de dystopie het doel. En ze zijn niet zonder succes.

Hoe is het eigenlijk mogelijk dat de dystopie uit prediking en theologie verdwenen is?

4 Steriele prediking: Is het angst voor hoorders en hun werkelijke bestaan?

Die vraag heeft ook een homiletische/empirische achtergrond.

Tijdens Areopagus-tafels, (gesprekken met loyale kritische kerkgangers over wat er gebeurt tijdens de preek, in hen en om hen heen), horen we deze observatie met enige regelmaat: ‘Soms lijkt het alsof mijn leven complexer en veelzijdiger is, heftiger en wisselvalliger, dan het leven zoals het geportretteerd wordt in de preek’. En ook: ‘Soms lijkt het alsof het complexe en heftige in de Bijbeltekst uit de preek wordt gehouden’.

Het effect daarvan kan zijn dat de preek zowel de bestaansvragen als de kracht van de Schrift neutraliseert. Het kan steriel worden in preken.

Opvallend genoeg zeggen hoorders in de gesprekken die wij hebben, tegen predikers: ‘Durf het juist aan: zoek die ontregelende aspecten op, benoem die sluimerende angst, die leegte die ik probeer te ontwijken door op een dun draadje te lopen. Je wint aan gezag in een preek wanneer je juist daarin iets te zeggen hebt’. ‘Durf mijn gedachten van absurdisme eens te benoemen, dat plotselinge gevoel van zinloosheid. De Sisyfus-arbeid die opvoeding soms lijkt: steeds opnieuw je energie, steeds opnieuw een nederlaag lijden.’

Iemand zei: ‘Soms denk ik dat predikanten bang zijn voor hoorders. Bang ook voor het echte wat in hun leven speelt. Het wanhopige. Het notoir-ongelovige. Het hard-onveranderlijke. Het eenzame. En ook: het verlangen naar de overgave. Naar een sterk woord dat mij aankan en waarvoor ik zal capituleren’. Zowel in de diepte als in de hoogte zou er weleens meer aangeraakt kunnen worden in hoorders, wat juist hun geloof ten goede zal komen. In ieder geval.

Wees niet zo bang, dus. Ook niet voor het dystopische. Leg de Schriften eerlijk uit, en leg het werkelijke leven bloot, en laat die grootheden op elkaar inwerken. That’s it.

5 God bemoeit zich met de zonde. Het Evangelie in de dystopische kerspreek

‘In een preek komen iets ‘vreemds’ en iets ‘eigens’ bij elkaar’, schrijft Gerrit Immink in Over God gesproken. ‘Het vreemde van de Bijbel naast mijn eigen leven hier-en-nu, het vreemde van God naast mijn schepselmatige bestaan, het vreemde van Jezus Christus naast mijn gelovig-zijn, het vreemde van de opstanding naast mijn sterfelijk bestaan, het vreemde van de Heilige Geest naast mijn geestelijk leven enzovoort.’

Je kunt zeggen: het dystopische is het ‘eigene’. Dat ken ik. Dat kennen wij steeds beter – getuige de vele echo’s van de dystopie in literatuur en film. Het ‘vreemde’ is de incarnatie. God komt in het dystopische. Hij komt, maar heeft er geen plek. Hij wordt er niet herkend. Men zegt dat Hij hier niets te zoeken heeft, maar Hij zoekt ons.

Hij komt, en die komst is radicale goedheid. Dat is de kern van Kerst: de ervaring van Gods radicale goedheid. En dat is ook wat een kerstpreek je bieden wil: de realiteit van deze goedheid van God voor ons mensen. Dat vieren we: Gods goedheid.

En gaandeweg, met veel vallen en soms opstaan, wordt dat de ethiek in de christelijke gemeente: de echo van Gods goedheid in ons eigen bestaan. Paulus gaat de Haustafel ontwikkelen: goedheid in gezinsverhoudingen, in arbeidsverhoudingen, in de gemeente en ook tot de vijand. Goedheid, niet omdat het zoveel op zal leveren in deze absurde, dystopische wereld. Nee, goedheid om het goede dat wij in God hebben gezien. Goedheid als doxologie. Goedheid als dankbaarheid en als vreugde. Leven dat opnieuw joie de vivre kan worden.

Deze benadering kan ervoor zorgen dat de kerstpreek zich ook concentreert op het essentieel christelijke. In Christus bemoeit God zich met ons, en dan vooral met onze zonde. Inderdaad: de zonde. Want de zonde is niet-goed. De zonde is dat wat het bestaan vergalt.

De Britse schrijver Francis Spufford noemde de zonde ooit the Human Propensity to Fuck Things up, de menselijke neiging om dingen te verkloten. Ik excuseer me niet voor de grove taal, want die past bij de aard van de zonde. Ik zou er bijna nog wel een schepje bovenop willen doen. De zonde is het ergste wat in deze goede wereld gebeurd is en gebeurt en blijft gebeuren – todat Hij komt. De zonde is die macht in mij, en van mij, en veel groter-dan-mij; een machtig die het radicaal goede van God breekt. De zonde is de verrader in mij, zei ds. L. Kievit, die steeds het goede in mij, van binnenuit, saboteert.

In The Sacred Podcast kun je een mooi interview met Spufford beluisteren. De interviewster vertelt hoezeer dat zogenaamd versleten en door velen belachelijk gemaakte begrip ‘zonde’ plotseling tot leven kwam in haar kennissenkring, door het zo te benoemen. De ‘zonde’ is heel vaak the elephant in the room. Niemand spreekt erover, iedereen weet het.

Kerst is de openbaring van het radicaal goede van God in deze wereld. Zijn absurde en schijnbaar kansloze intentie om onder ons mensen te zijn, om de zonde op tafel te krijgen en te breken, om ons uit de macht ervan los te rukken. Het is een onderneming die ten dode gedoemd is, als je het dystopische van deze wereld een beetje kent. Het eindigt dan ook aan een kruis. Maar dat blijkt de plek van overwinning te zijn. Daar klinkt een bulderende lach over machten die dachten te winnen. Opnieuw Psalm 2 dus.

Iemand zei: Een groot gevaar voor prediking vandaag is is dat predikanten veel te makkelijk geloof veronderstellen bij hoorders. In kerstdiensten zie je dat bij uitstek gebeuren. Dan wordt de kring nog breder getrokken, en lijkt het alsof we eigenlijk allemaal geloven. Maar door die veronderstelling ontnemen we kerkgangers en tijdgenoten juist de verrassing van het geloof en het ‘vreemde’ ervan.

Het geloof is mij niet ‘eigen’. Ik kan weinig geloven. Natuurlijk, als ik mijn wereld prettig en klein houd, dan geloof ik in mezelf en in anderen, en dan geloof ik ook dat de meeste mensen deugen. Maar als ik iets tot me door laat dringen van de absurde wereldervaring van de geschiedenis, van zes miljoen onverhoorde gebeden, van het onrecht, als Christus voor mij staat en van mij liefde eist tot vijanden en zelfverloochening, dan komt daar niet zomaar geloof uit voort.

Mijn geloof stelt niet zo veel voor.

Ik leef van de momenten dat de hemel open ging in de nacht, dat ik een loflied uit de hemel op aarde hoorde waaien, dat ik een deur open voelde gaan waardoor radicale goedheid bij mij binnenkwam. Er is iemand die mijn hele bestaan voor Zijn rekening neemt.

6 Rowan Williams’ kerstpreek: Unstinting generosity and unsparing honesty

Rowan Williams weet deze dimensies te verbinden in een kerstpreek uit 2011; ik heb de preek geanalyseerd in mijn proefschrift Making See. In de zomer van 2011 waren er hevige rellen in veel Britse steden, beginnend in de Londense wijk Tottenham. Een ontlading van de sluimerende woede over de monetaire crisis, over het achteloze gemak waarmee in veel lagen van de samenleving met geld en belangen werd omgegaan, en tegelijkertijd de ervaring van werkloosheid en raciale spanning.

Williams kiest in zijn preek niet voor escapisme, voor een humaan-burgerlijk wiegeliedje over goede bedoelingen. Integendeel. Hij zet hoog in, zoals het hoort. Kerst is vooral een feest wanneer het klassieke dogma erin doorklinkt. Wat vier je precies met Kerst als het zonder incarnatie is?

Zo spreekt Williams over ‘Christ, the Word, in which all things are held together’. Maar al heel snel komt er een vraag in de preek naar voren. Wij leven immers in een wereld waarin juist uiteendrijvende krachten heersen. ‘In this specific life (of Jesus) a question is addressed to us, a question asking for a response’. En dat is niet een retorische vraag, het is een existentiële vraag die de prediker uitdiept: ‘In how you respond to this question it is shown who you really are, what is deepest in you, what means most’. De prediker dringt nog verder aan: ‘The truth is still an uncompromising one. If you cannot or will not respond, you are walking away from reality into a realm of trackless fogbound falsehood’.

Welkom in de kerk. Welkom in de kerstpreek. Dit is de plek waar wij een Streit um Wirklichkeit voeren. Wat is echt? Wij geloven, dat wanneer je je leven afkeert van Christus je wegloopt van wat werkelijk is en wat werkelijk wil worden: radicale goedheid.

‘Are you on the side of the life that lives in Jesus, the life of grace and truth, of unstinting generosity and unsparing honesty, the only life that gives life to others? Or are you on your own side, on the side of disconnection, rivalry, the hoarding of gifts, the obsession with control?’

Williams verbreedt die vraag naar de samenleving. Hij benoemt het dystopische van de rellen in de stadswijken, van de kwade opzet in de bancaire sector. ‘The most pressing question we now face, we might well say, is who we are and where we are as a society. Bonds have been broken, trust has been abused and lost. Whether it is an urban rioter mindlessly burning down a small shop that serves his community, or a speculator turning his back on the question of who bears the ultimate costs for his acquisitive adventures in the virtual reality of today’s financial world, the picture is of atoms spinning apart in the dark’.

Dat is het dystopische: ‘atoms spinning apart in the dark’.

Dit is het radicaal goede daarin: ‘And in that dark, the Word of God has entered, in love and judgement, and has not been overcome. In the darkness, the question sounds as clear as ever, to each of us and to our church and scoiety: ‘Britain where are you?

‘Er is duisternis. God heeft vijanden. Er zijn desintegrerende krachten. Je hebt een keuze. Wat kies jij?’ Zo ongeveer eindigt Williams zijn preek.

Stel je voor dat je zo open de kerstpreek eindigt: ‘Er is duisternis. Er is licht. Wat kies jij?’

Dr. Kees van Ekris,
december 2019

 

 

 

 

Deel dit nieuws: Twitter Twitter Google E-mail

Schrijf je in voor de IZB nieuwsbrief