Voorbede is de basis van mijn werk, zegt ds. Paul Visser, één van de cursusleiders van Areopagus en missionair predikant van 'Huis voor de ziel' (Noorderkerk, Amsterdam).

‘Ik ben erg dankbaar dat ik voorbede kan doen. Al vind ik het een zware klus; als predikant, maar ook als medemens, als gelovige. Als predikant geeft het me rust. In de voorbede komt tot uitdrukking dat de gemeente niet van mij is, maar van Christus. Ook al moet ik het mijne doen, hoef ik de gemeente niet te redden. Ik mag de hele zaak, al die mensen met hun wel en wee, hun zegeningen en zonden, aan Hem toevertrouwen: ‘Hier hebt u het, weest U onze herder’. Die gedachte vind ik zeer troostvol. Ik betwijfel of ik wel dominee zou willen zijn, als er geen voorbede zou bestaan. Dan zou ik me zomaar aan het werk vertillen of, het andere uiterste, ten prooi vallen aan onverschilligheid. Voorbede behoedt het beruchte messias-complex én voor de bekende mentaliteit van een huurling. Maar in de voorbede kan ik allerlei situaties en mensen bij de goede Herder brengen.

Paulus heeft dagwerk gemaakt van de voorbede. Hij schreef dat elke dag de zorg voor alle gemeenten hem overviel. Volgens mij heeft hij die zorg verwerkt door te bidden. Elke brief opent hij ermee dat hij dankt en bidt. Hij geeft de jonge christenen voortdurend over aan de hoede van de Opgestane. Het hele Nieuwe Testament is doortrokken van voorbede. Het is niet een extraatje, maar een wezenlijk onderdeel van.

Volgehouden
Hoeveel mensen zijn niet gered vanwege de voorbede van anderen? Misschien wel de meesten. In missionaire situaties heb ik meegemaakt dat mensen met een christelijke achtergrond na decennia van afwezigheid zich opnieuw tot God keerden. Als ik er naar vroeg, bleek heel vaak dat mensen in hun omgeving voor hen hadden gebeden: een opa of oma, vader of moeder, een broer of zus. Ze hadden stug volgehouden, het leek geregeld een ‘gebed zonder end’, maar zagen uiteindelijk de verhoring. Die ervaringen hebben me de ogen geopend voor de impact van de voorbede, juist in missionair opzicht. Is het niet geweldig dat wij voor een ander, die niks voor God voelt of erger, bij God terecht kunnen? Het is als bij die vier vrienden: ons geloven vóór een ander is tot redding van de ander! Ik ben ervan overtuigd dat dit het belangrijkste en krachtigste deel van mijn werk is.Voorbede is de basis van mijn bezig zijn in Amsterdam. Ik bid primair of Christus zich als de Levende wil openbaren, wat gewoner gezegd: dat Hij zal opduiken in de levens van mensen, door een signaal (teken) af te geven van zichzelf, een spoor na te laten, twijfel te zaaien ten aanzien van het heersende ongeloof, onrust of verlangen gaande te maken, te denken te geven, of wat ook maar. Ik bid dat Hij via mij zijn gang gaat, maar vooral ook dat Hij zijn eigen gang gaat. Want mijn bereik is beperkt. Het Zijne niet. Als Opgestane weet Hij nog altijd binnen te komen terwijl de deuren gesloten zijn.

Gewaagd
Vaak ervaar ik ontmoetingen als een geschenk; ze komen op mijn pad. Mijn inzet en zorgvuldigheid doen ertoe – ook dat is overigens van de Geest om in de geest van Christus met de ander om te gaan. Tegelijk moet er primair vanaf ‘de andere kant’ iets gaande gemaakt worden. In mijn ontmoetingen gaat het steeds om Zijn werkzaamheid, anders gebeurt er niets. Het staat heel treffend in Markus 16:20 hoe die twee in elkaar grijpen. Vandaar dat het gebed zo’n wezenlijke plaats houdt. Concreet: ik bid én dank vrijmoedig dat Hij in elk bezoek, elke kring, elke catechese, elke preek, elke ontmoeting door de Geest aanwezig is. Ik sta per slot van rekening in zijn dienst en naar Jezus’ belofte woont Zijn Geest in mij. Overal waar ik ga of sta ís Hij. Dat klinkt misschien gewaagd, maar het sluit aan bij wat Paulus vertolkt in 1 Korinthe 15. ‘Wees standvastig, onwankelbaar, steeds overvloedig, wetend dat uw arbeid niet tevergeefs is in de Heer.’ Ik ga ervoor, omdat ik weet dat het niet tevergeefs is en andersom.’

 

Deel dit nieuws: Twitter Twitter Google E-mail

Schrijf je in voor de IZB nieuwsbrief