Dr. Wim Dekker over twee recent verschenen prekenbundels, van ds. Jongkind en ds. Zoutendijk.

Onlangs verschenen twee bundels met preken. In de eerste gaat het om preken van ds. A.J. Zoutendijk te Utrecht. Vijftien preken, die ‘de mooiste’ genoemd worden. Ze verschenen onder de titel Oplichtende woorden en werden stijlvol uitgegeven door Kokboekencentrum. Ongeveer gelijktijdig verscheen een bundel met preken van Ds. J.A.H. Jongkind onder de titel Kinderen van één Vader. Preken over de zonen van Jakob. Deze bundel verscheen in eerste instantie met het oog op gemeenteleden, die een herinnering aan hun predikant vast wilden houden, toen hij onlangs na veertig jaar in de gemeente Brandwijk gestaan te hebben met emeritaat ging. Er was zoveel vraag naar deze uitgave, dat de tweede druk intussen ook al uitverkocht is. Er zijn plannen voor een derde oplage.

Beide predikanten zijn nu emeritus. ‘Uitgediend’ betekent dat woord letterlijk. Wat dat ook mag inhouden, wie de boven genoemde bundels leest, zal denken: ze zijn allesbehalve ‘uitgepreekt’. Dat is best bijzonder. Beide predikanten stonden heel lang in dezelfde gemeente. Hoe houd je dat vol? Heb je elke keer weer iets nieuws te zeggen? Er zijn binnen de PKN plannen in de maak, die de mogelijkheid scheppen, dat een gemeente en een predikant na twaalf jaar van elkaar af kunnen. Misschien is dat goed, om te voorkomen dat er grote spanningen ontstaan wanneer het niet meer gaat. Regel hoeft het echter niet te worden.  Wie steeds wisselt van gemeente kan gemakkelijk in de verleiding komen zichzelf te gaan herhalen. De nieuwe gemeente merkt dat toch niet. Wie heel lang op een zelfde plaats staat, wordt uitgedaagd steeds nieuwe preken te maken, breder en dieper de Schrift te onderzoeken.

Van dit laatste leggen beide prekenbundels getuigenis af. Wel op heel verschillende manieren. Dat maakte het achter elkaar doorlezen van deze preken voor mij juist boeiend. Ik was nieuwsgierig hoe ik het zou ervaren. Ds. Zoutendijk ken ik goed. Ik wist wel een en ander van zijn manier van preken. Bovendien is hij, mede vanwege de grote betekenis die de Jacobikerk in Utrecht voor velen heeft, een bekende dominee geworden. Ds. Jongkind ken ik niet en omdat hij heel zijn leven dominee bleef in een klein plaatsje in de Alblasserwaard is hij ook geen bekende dominee geworden. Toen ik beide bundels gelezen had, dacht ik echter opnieuw: hoe fout zijn onze menselijke vooroordelen, ook onze christelijke en kerkelijke. Beide prekenbundels getuigen van een zorgvuldig luisteren naar de Schrift,  een grote mensenkennis en een persoonlijke vrome omgang met God. Daarom zijn ze beide de moeite van het overdenken waard. Als predikanten kunnen we onze eigen preken en preekmethoden ernaast leggen. Wat valt hier te leren?

Continuïteit
Een paar dingen die me opvielen, wil ik hier noemen. Allereerst betreffende de bundel Kinderen van één Vader. Zelf heb ik me er nooit aan gewaagd een serie preken te houden naar aanleiding van de woorden, die Jacob in Genesis 49 over zijn zonen uitspreekt. In die spreuken lijkt bijzonder weinig stichting te zitten en door het lezen van doorsnee commentaren ga je die stichting zeker niet ontdekken. Je moet dus in ieder geval meer doen dan puur uitleggen wat er staat. Dat is natuurlijk vaak zo bij bijbelteksten. Maar hoe meer we er zelf van moeten zien te maken, hoe riskanter het wordt. Wat is kenmerkend voor de aanpak van Jongkind?  In de eerste plaats verkent hij de spreuk binnen de verbanden van de Schrift. Waar komt de naam van de betreffende zoon vaker voor in de Bijbel? Hoe verliep het later met de stam? Alle namen van de stamvaders komen nog een keer terug in Openbaring. Anna (Luk. 2) kwam uit de stam van Aser. Zo zijn er nogal wat voorbeelden. Wat is het nut ervan dit te weten? Wat blijft hangen, is dat het gelovige Israël de eeuwen door continuïteit heeft ervaren in het handelen van God. In onze cultuur waarin alles fragmentarisch geworden is, geeft dat te denken.

Uitvouwen
In de tweede plaats heeft Jongkind een meer dan gebruikelijke aandacht voor de psychologie. En passant verdedigt hij zich daarbij ook tegen aantijgingen van inlegkunde getuige de volgende passage, waarin het gaat over Gad: ’Nu mogen wij niet zomaar in het wilde weg over onze tekst gaan fantaseren. Het moet wel kloppen als je de Bijbel uitlegt. Maar wij  mogen wel proberen ons een voorstelling te maken bij wat we in de Bijbel lezen. Wat Jakob hier zegt is een gedicht en een gedicht mag je ‘uitvouwen’. In ieder geval moeten wij proberen ook deze zoon van Jakob in beeld te krijgen, zo scherp en zo helder als maar mogelijk is. Ik denk, dat deze jongen de eenzaamste was in het gezin van Jakob. Dikwijls komt het voor in een gezin, dat er een wat meer teruggetrokken is en dat je als vader en moeder van hem denkt: ‘Ben jij wel gelukkig?’. Je stelt je voor dat Jakob stil en bewogen bij zichzelf gezegd heeft: ‘wat zal jij het moeilijk krijgen. Zelf ben ik een slimme overlever, maar jij bent trouwhartiger van aard.’…’Gad. Er hangt iets weemoedigs rondom deze zoon. Er kwam weleens visite die hem ten slotte pas ontdekte en glimlachend zei: ‘Hé, ben jij er ook nog? Ik had je helemaal niet gezien!’ (83). Jongkind deed me in verschillende van dit soort passages denken aan de ethische theologen  uit de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw. Een schoolvoorbeeld daarvan zijn de postilles van E. L. Smelik.

Kruisbalk
Nu heeft psychologisering ook een valkuil. Die valkuil treffen we vandaag vaak aan in preken, waarin het heil in psychologische categorieën wordt uitgedrukt. Preken worden dan eerder therapeutisch dan verkondiging van de rechtvaardiging van de goddeloze. Dat is bij Jongkind echter niet het geval. Juist dat thema van de rechtvaardiging van de goddeloze is het omvattende thema van al de preken. Al lezend raak je steeds weer onder de indruk van de grote barmhartigheid van God. Mooi is dat. Nog anders gezegd: Door heel Genesis 49 loopt de kruisbalk. Jongkind zegt, dat de twaalf zonen van Jakob op dat moment de kerk zijn, het volk van God. Hij verbindt er dan de conclusie aan: ‘Wij moeten maar veel geduld met elkaar hebben in de kerk. Meer dan wij dikwijls doen. Want het is nooit iets anders dan een zondarenvolk waarvan God zegt: ’Dat is mijn volk’.

Breed en diep
Met deze woorden en met deze grondstructuur van de preken van Jongkind is de overstap naar de preken van Zoutendijk in feite niet groot. Inhoudelijk zijn er dezelfde grondtonen bij beiden te beluisteren. Intussen is de vormgeving bij beiden heel verschillend. Met alle waardering voor de preken van Jongkind vroeg ik me wel af: welke gemeente brengt het vandaag op om in alle rust naar zulke lange, brede en diepe preken te luisteren? Vroeger werden er nog weleens doordeweekse bijbellezingen gehouden. Het feit dat die in deze vorm nagenoeg verdwenen zijn, zegt op zich ook al wat. Laat staan dat een gemeente in al haar gevarieerdheid op zondagochtend nog zoveel aankan. Daarom is het goed, dat de preken van Jongkind nu gebundeld zijn en in alle rust nagelezen kunnen worden. Predikanten kunnen er aanzetten in vinden om op hun eigen manier er hun winst mee te doen. Gemeenteleden kunnen eventueel op een kring bijbelstudie doen aan de hand van deze preken.

Basic
Hetzelfde geldt trouwens van de preken van Zoutendijk. Die zouden ook prima op een bijbelstudiegroep besproken kunnen worden. Predikanten kunnen deze preken lezen met de vraag: waarin ligt het geheim, dat deze preken zo dichtbij komen? Hoe zou ik daar zelf van kunnen leren? Het is namelijk in het geheel niet zo dat de preken van Zoutendijk op een eenzame hoogte zouden staan, die voor ‘gewone’ dominees onbereikbaar is. In de wandelgangen van domineesland hoor ik deze suggestie weleens langskomen. Daarom leg ik de vinger er hier bij. Het kenmerk van de preken van Zoutendijk is niet, dat ze zo bijzonder zijn, maar dat ze juist zo ongelooflijk basic zijn. Er wordt niets overhoop gehaald wat er niet toe doet. Nergens wordt onnodig de breedte ingegaan, geen leuke illustraties worden gebruikt, die afleiden van de tekst. Heel weinig verhalen en illustraties worden gebruikt. Met enkele welgekozen woorden is Zoutendijk bij de kern van de tekst om die dan vervolgens op allerlei manieren in gesprek te brengen, allereerst met zichzelf en dan met de hoorders. Voortdurend in dialoog. Is dat moeilijk? Misschien wel als je het anders gewend bent, maar ik ben ervan overtuigd, dat ieder het leren kan. Je moet het echter wel willen. Wat is daartoe nodig?

Dialogisch
Allereerst een groot vertrouwen in de kracht van het Woord, de tekst zelf. Dat die niet allerlei hulpstukken van ons uit de actualiteit nodig heeft. In de tweede plaats is nodig, dat je als prediker met de beluisterde tekst echt inkeert tot jezelf. Dat je de diepte ingaat. Hoe kom ik in deze tekst voor? Waar zit bij mij  de vervreemding, de weerstand, het verlangen, de verwondering etc? Dan is de stap naar de hoorder al niet zo moeilijk meer. Dan gaat door middel van jouw verkondiging de tekst het gesprek aan met jou zelf en de hoorder en sta je steeds beurtelings heel dichtbij de tekst, bij jezelf en de hoorder. De preken van Zoutendijk zijn te typeren als dialogisch, concreet en beeldend. Bij deze woorden kunnen we aan evenzovele technieken denken. Dan beginnen we echter aan het verkeerde eind. In deze technieken gaat het om verfijningen van iets dat eerst basaal aanwezig moet zijn. En dat basale is dat de tekst eerst met mij in gesprek moet raken en ik met de tekst. Dan merk ik vanzelf of en hoe het handen en voeten krijgt in mijn leven. Want ik kan zelf  niet leven bij beschouwingen en redeneringen. Mijn concrete leven roept om een concrete boodschap, allereerst voor mijzelf. Beelden komen dan vanzelf ook naar boven, want het hele bonte leven, dat ik elke dag leef zit potentieel vol beelden.

Perspectieven
Ik heb nog wel een vraag naar aanleiding van deze preken. Die vraag was er al lezend in de bundel onderhuids al een poosje totdat Zoutendijk hem zelf thematiseerde in een preek over de vraag hoe we weten, dat het christelijk geloof de waarheid is. Dan spreekt hij over het binnenperspectief en het buitenperspectief. Hij zegt ook, dat de grens tussen deze twee perspectieven vloeiend geworden is. Niet alleen buitenstaanders vragen: hoe weet je het nu zeker? Geloof is toch geen weten? Ook als trouwe kerkganger maak ik deel uit van de seculiere wereld, zit het seculiere denken vlak onder mijn huid (126). In de preek ‘Wij geloven’ wordt deze kwestie gethematiseerd en wordt een begin van een antwoord gegeven. De meeste andere preken gaan sterk uit van het binnen perspectief. Geregeld wordt wel gesproken over mensen, ook goede vrienden, die het niet geloven kunnen, maar vaak fungeren deze passages dan om iets van de aanvechting die bij het geloof hoort te illustreren. Minder komt naar voren dat deze moderne ongelovige ook in onszelf zit en hoe daar dan mee om te gaan. Met andere woorden: vandaag moet wellicht toch nog iets meer van een ‘toe-leidende weg’ worden verkend dan in deze preken gebeurt. Het aantal mensen, dat niet meer vanzelfsprekend het paradigma van het christendom deelt wordt steeds groter. Het evangelie is toch ook voor hen  bedoeld. Maar hoe? Het aantal christenen dat de onderhuidse erosie gaat voelen, omdat dit paradigma verdwijnt, neemt ook toe. Volgens mij is dat een van de belangrijkste oorzaken van de doorgaande kerkverlating. Dat lossen we niet zomaar op. Maar iets minder alleen maar preken vanuit een binnenperspectief zou voor deze en gene helpend kunnen zijn.

Dr. Wim Dekker,
Oosterwolde

Wie belangstelling heeft voor de bundel van ds. Jongkind, kan dat melden via prekenboekje@hervormdbrandwijk.nl.

‘Oplichtende woorden’, de bundel van ds. Zoutendijk is uitgegeven door KokBoekencentrum.nl. 128 pagina’s, € 13,99.

 

Deel dit nieuws: Twitter Twitter Google E-mail

Schrijf je in voor de IZB nieuwsbrief