Ds. Adrie Baas (62) begint binnenkort in Bodegraven, zijn achtste gemeente. De afgelopen vier jaar diende hij in de Eben-Haëzer gemeente, een wijkgemeente van bijzondere aard in Amstelveen. In de stad komt veel uit onze maatschappij samen: secularisatie, welvaart, individualisme, criminaliteit, een puur marginale kerk. In die zin is Amstelveen ook een soort metafoor. Iemand zei eens: ‘In Amstelveen komt de stoomwals van de secularisatie over je heen’. De voorstad van Amsterdam detoneert eigenlijk een beetje in het rijtje Biblebelt-plaatsnamen waar ds. Baas eerder stond. Wat doet die ‘stoomwals’ aan je: als mens, als predikant, als theoloog? Heeft het werken in die context zijn geloof en prediking beïnvloed? Als Areopagus zijn we in die vragen geïnteresseerd, en zochten we Adrie Baas op. Het gesprek laat zien hoe die wereld op je huid komt, hoe die in je gevoels- en geloofsleven trekt. Het onderhoud had ook iets van een recapitulatie, een reconstructie van een ontwikkeling. ‘Het is alsof er een vel van me is afgestroopt’, zegt hij.

(Dit artikel is hier ook als pdf beschikbaar:Interview-ds.-A.-Baas-Areopagus.pdf)

‘Zèlf aangeraakt zijn’, is een conditio sine qua non voor een predikant, benadrukt Adrie Baas meer dan eens in het gesprek. ‘Ik werd geraakt door mijn vader. Als twee-, driejarig kind leerde hij mij bidden, op mijn knietjes voor mijn bed. We kerkten bij ds. A. Hofman, die nogal eens emotioneel kon worden tijdens een preek. “Waarom huilt de dominee?”, vroeg ik dan thuis. “Leg jij hem dat maar uit”, zei mijn vader tegen mijn zus. Dan nam ze mee naar de gang en zei: “Omdat hij zoveel van de Heere houdt.”’ Nog een herinnering: ‘Kinderen uit de Gereformeerde Gemeenten mochten naar de knapenvereniging van de Hervormde kerk in Zeist. De leider had zich op een avond slecht voorbereid en besloot een meditatie te lezen van ds. L. Kievit uit het boek ‘Die geleden heeft’. Nu zeg je: hoe haal je het in je hoofd, zoiets te lezen voor kinderen van een jaar of tien? Maar het raakte me diep. De andere dag leegde ik mijn spaarpot en ik kocht die uitgave van Kieviet bij de plaatselijke boekhandel. Het is een gouden kleinood voor me geworden. Al zegt Pieter (zijn zoon, predikant in Houten): “Pa, dat kan vandaag zo niet meer. Te breedsprakig, te wollig.”
Adrie koestert herinneringen aan preken van ger.gem. predikanten als Gerrit Jan van den Noord, Jan van Haaren, Bert Huisman. ‘Onvergetelijke preken over Hosea en Jeremia.’ Diep geraakt werd hij onder de preken van hervormd-gereformeerde kopstukken, zoals Leendert Kievit, Klaas Exalto, Arie de Reuver en Maarten Verduin. Van sommigen kan hij woordelijk preekfragmenten citeren. Maar de terugblik op zijn leven krijgt opeens ook scherpe kantjes, als hij zegt: ‘Mijn studie zou ik wel opnieuw willen doen. Dan zou ik breder lezen, grondiger, er dieper induiken. Je hebt kippensoep waar de kip overheen is gevlogen en je hebt soep, die goed heeft kunnen trekken, waar de kip doorheen is gegaan.’ Illustratief: ‘Voordat we het eerste college van professor Hasselaar kregen, gingen we naar boekhandel en kochten daar van ds. J.G. Feenstra: “Barth of Dordt?” We kochten er 30 exemplaren van op, voor een gulden per stuk en deelden die uit aan onze jaargenoten van Voetius. Ik schaam me er nu voor… Wat is dit verkeerd geweest!’

Waar lag dat aan?
‘Ik was huiverig voor het Barthianisme en weg van dr. W. Aalders. Aalders sprak over de ‘grote ontsporing’ en Barth was de grote boosdoener. Rond mijn 18e was er een Aha-Erlebnis over wat de Reformatie werkelijk had beoogd en gedaan. Dat lichtte op tegen de achtergrond van mijn kerkelijke achtergrond in de Gereformeerde Gemeente – waar ik goede herinneringen aan bewaar. Toch durf ik de stelling wel aan dat veel van wat vandaag doorgaat voor reformatorisch, in dagblad, scholen of andere sectoren, weinig met de Reformatie te maken heeft. Klaas Exalto en Arie de Reuver hebben in die ontdekking veel voor me betekend. Hun theologiseren raakte mijn hart. Ik kreeg meer zicht op wat God in de 16e eeuw via die ‘mannetjes uit het stof’ had gedaan. Namelijk, dat het Woord weer aan het woord kwam, tegenover het sacramentele van de RK-kerk van die dagen. Wie Christus is, wat Hij als ‘volkomen Zaligmaker’ voor ons is. Ik ontdekte wat het betekent dat we in Adam ‘verloren’ zijn. Niet als afgesleten leerstuk, maar existentieel. De klassiek gereformeerde belijdenisgeschriften spraken de taal van mijn hart. Toen ik in mijn studententijd de preken van Maarten Verduin hoorde n.a.v. de Leerregels van Dordt , was dat voor mij als een glas goede wijn. De verkiezing is voor mij nooit een muur geweest waar ik op stukliep; altijd een poort door God geopend. Met Dordt zing ik de lofzang! Begrijpen we na 400 jaar wat onze vaderen (en moederen) deed zingen. Wim Verboom en Gijsbert van den Brink doen goed werk door Dordt in context te plaatsen.
Het doop- en avondmaalsformulier – ik leerde ze spellen, prachtig. De gereformeerde traditie werd me een schat, maar dan klassiek-gereformeerd, niet wat er na de Reformatie van gemaakt of geworden is. Ik zeg het met aarzeling, want de Nadere Reformatoren hadden goede bedoelingen; ze wilden de kerk van hun dagen bouwen. Maar ik concludeer met Graafland dat er een verwording heeft plaatsgevonden. De frisheid van Luther en Calvijn, vond ik zo bij de Nadere Reformatoren niet zo terug. Als het hierover gaat noem ik nogmaals de naam van Klaas Exalto. De ontmoetingen met hem en zijn onderwijs zal ik nooit vergeten.’

Dit zijn dierbare persoonlijke herinneringen, gekleurd door ‘de kennis van nu’. Waar wordt vandaag dat kloppende hart van de Reformatie bewaard?
‘Ik zou wensen dat ik kon zeggen: in de hele hervormd-gereformeerde sector van de Protestantse Kerk in Nederland. Maar ik krijg het niet over mijn lippen. Vóór 2004 was er mijns inziens te veel denken in macht en getal. Dat denken ontwaar ik nog wel. Ook in wijkgemeenten van bijzondere aard (de vroegere hervormd-gereformeerde evangelisaties) kom je dat tegen. ‘Het voorgeslacht heeft dubbeltjes geofferd om deze gemeente te doen ontstaan, met déze prediking, etc.`. En alles moet dan zo blijven zoals het toen was. Macht en geld speelt dan een voorname rol. Voor het oog kan het nog aardig gaan. Maar toch: zo naar binnen gekeerd. Nostalgie. Club-denken. Zelfbevestiging. Het staan in de breedte van de kerk in verwondering over wat in de Reformatie herontdekt en geschonken is, vind ik dan zo weinig. De ´Entdeckerfreude´ van mijn jonge jaren wil ik ook in deze jaren beleven. Een tijd waarin de secularisatie huiveringwekkend is.
In Amstelveen had de buitengewone gemeente de Pauluskerk gekocht. Je kunt zeggen: dat was een daad van geloof. Maar waar moeten de mensen vandaan komen? In de afgelopen 30 jaar hebben we een recycling of the saints gezien. Afhakers van elders vormden de streekgemeente. De mensen kwamen van heinde en ver. Wat er nog van over is: 180 kerkgangers ’s morgens, ’s avonds 80.’ Ze zijn afkomstig uit heel zuid-Noord-Holland. Het raakt me diep als ik ze weer zie komen. ‘

Een gemeente in een geseculariseerde context. Het roept ook het beeld op van een enclave. Als we denken aan uw eigen ontwikkelingsgang levert het ook een spagaat op.
‘Het is alsof er een vel van me is afgestroopt. De Alblasserwaard, de Veluwe, IJsselmuiden, ik ben het kwijtgeraakt, ik wás het al kwijt toen ik hier kwam. Ik ben gezegend met een kritische vrouw en kritische kinderen. Positief kritisch… Ze houden me scherp.’

Welk vel is er vanaf?
‘De sjibbolets zijn weg. De jongeren hier zitten niet met de dingen waar ik me druk over moest maken en maakte in mijn eerdere gemeenten. Nu ben ik eigenlijk vrijer. Ik zal nooit vergeten dat ik tijdens het beroep naar Amstelveen de jongeren van de gemeente ontmoette. Ik las een verlangen in hun ogen: Kom, help ons om in deze tijd volgeling van Jezus te zijn. Open voor ons het Woord. Hun vragen waren anders, en ik vind: urgenter, dan die waar wij het vaak druk mee hebben. De wereld gaat ten onder aan ons consumptiegedrag. Wetenschappers weten veel, maar als het er op aankomt laten ze het afweten. En wij debatteren nog over allerlei tweede- en derderangs zaken. En ondertussen snak ik naar een profetisch woord. De persoon van Daniël spreekt me zeer aan. Zijn getuigenis in de wereld van Babel.’

Die jongeren zijn nu 4 jaar verder. Wat heeft u van hen geleerd?
‘Wat het is om christen te zijn in zo’n eenzame situatie, op hun werk, in hun studie. Ondanks hun vele vragen komen ze toch ’s zondags naar de samenkomst, of doordeweeks naar de jonge-lidmatenkring. Ze verlangen naar een prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze, maar dan van een echte goddeloze. Dat God hen aanvaardt zoals ze zijn om ze dan ook te herscheppen naar Zijn beeld. Dat ze mogen groeien in discipelschap. Het boekje Tijd om mee te gaan heb ik ervaren als een oase. Dat hebben we hier op verschillende kringen besproken. Hier gaat het over, in deze tijd, in deze context. Bijbels, maar ik herkende er in terug wat ik veertig jaar geleden ontdekt heb over het hart van de Reformatie.’

U zegt te verlangen naar profetische preken. Wat let u? Doe het!
‘Terecht. Ik ben geboeid door Johannes de Doper, vooral vanwege deze ene zin, die al mijn hele leven met me meegaat: ‘om de Here te bereiden een toegerust volk’. Jullie zeggen: doe het…! Ik zeg: het is mijn gebed, mijn vurig verlangen. De gave van de profetie…!

Wat zijn de ingrediënten van dat werk?
‘Primair: zèlf aangeraakt zijn. Johannes de Doper was begiftigd met de Geest van zijn moederschoot af aan. Zèlf existentieel geraakt zijn is nodig, om überhaupt te overleven in deze geseculariseerde context. Bij de kapper ontmoet ik maandelijks Shira, mijn kapster. Ze is afkomstig uit Koerdistan; moslim-achtergrond. Als ik zeg dat ik dominee ben, heeft ze geen idee. Ik spreek met haar. ‘Succes met het prekeren!’ zegt ze als ik opstap. Geen idee… ‘Meneer, mag ik u eens vragen’, zegt de conciërge van de openbare school hier tegenover. ‘Is de paus uw baas? Nee, Danny… O. En wat doet u zoal door de week?’ In deze omgeving ben ik geroepen, met het Woord.
Hoe vaak heb ik hier niet buiten gestaan, de hemel aangezien. Terwijl de maan en de sterren, Gods trouwe getuigen stonden te schitteren in mijn ogen… , heb ik geroepen en geschreeuwd: Here God, wat moet ik hier? Je voelt de leegte, die ook bij je naar binnen trekt. En dan het werk in de gemeente, waar die leegte soms weinig herkend werd. Dan voelde ik me eenzaam.’

Keerde dat terug in uw preken? Lukte het om dat te verwerken? En waren dat vruchtbare momenten, of alleen maar donkere ervaringen?
‘Mijn preekvoorbereiding begint altijd op zondagavond al. Ik kies altijd vervolgstof, dus ik laat dan alvast het volgende gedeelte rustig op me inwerken. Alles wat ik ervaar in de loop van de week doet mee in de voorbereiding. Die ontmoetingen met Shira, met Danny. Ook de ontmoeting met de jongeren, die hier zo vaak ook alleen zijn. Een enkeling in Aalsmeer, een ander in Hoofddorp, een paar uit Halfweg… één uit IJmuiden. Ze hebben geen kerkelijke vrienden waar ze zich aan kunnen optrekken. Dus die sfeer probeer ik wel mee te nemen in de preek. Dan spreek ik ook mijn eigen hart aan. Al vind ik dat je ermee moet oppassen, met die persoonlijke ervaringen. Graafland zei: Paulus deed dat ook, dus ik zou niet weten waarom wij het ook niet zouden doen. Ik aarzel, want je kunt ook met je twijfel en ongeloof het domineetje worden. Kijk mij eens, seculier mens-zijn. Maar laten ze maar merken dat de tekst door me heengegaan is, dat ik het van dezelfde genadige God moet hebben als de hoorders. Laat ze maar merken dat die duistere machten zich ook in mijn leven roeren en dat ook ik elke dag mijn weg zoek te gaan… het spoor van de Meester.
In de afgelopen jaren heb ik ook veel opgestoken van boeken van Bram van de Beek. ‘Hier beneden is het niet’, maar ook ‘God doet recht’. Ze hielpen me om staande te blijven in deze cultuur. Van de Beek was opvolger van Berkhof en daarom moest ik aanvankelijk weinig van hem hebben. Ik zeg dit met schaamte. Want veel van wat ik van hem las, is nu voor mij ‘eten en drinken’ geworden. Neem zijn uitleg over de sacramenten, zijn hoop en uitzicht op de toekomst die we ‘in Christus’ hebben. De opstanding als een geloofszaak; Nu zuchten we nog ´als in barensnood´. Onze zaak is een aangevochten zaak, want we zien zo het tegendeel. We zien dat de wereld naar de knoppen gaat. Maar bij het lezen van Van de Beek word ik niet somber. Ik leer de Doop verstaan. Ik leer antwoord 1 van de Heid.Cat. Ik heb niet alles van hem gelezen, maar bij wat ik van hem las dacht ik: hebben we wel een antenne voor deze theoloog?’ Gelukkig wordt hij niet moe om ons in de 21e eeuw de weg te wijzen.

Hij spreekt over de sjibbolets, die in de kring van de hervormd-gereformeerden splijtend werken en hebben gewerkt. De vragen rond de vrouw in het ambt, homoseksualiteit, schepping en evolutie. ‘Onderwerpen die me bezighouden. Ik schaam mij voor de preken die ik heb gehouden, waarin ik evolutionisten, wetenschappers, soms in één zin heb weggezet. Terwijl ik er nauwelijks verstand van had.’

Omdat u het gevoel had, iets te moeten verdedigen?
‘Ja, met eerbied gesproken misschien moest ik de Here God wel verdedigen, ik moest voor Hem gaan staan en zeggen, maar Hij is de Schepper. In Apeldoorn ben ik voorzichtiger geworden. Het Woord recht doen is onze hoge en heilige roeping. Hoe lezen we ook de eerste hoofdstukken van de Bijbel? Een artikel van prof.Peels in ´Gegrond Geloof´ heeft mij verder geholpen. Langzaamaan de Bijbel leren lezen als theoloog. Zo ook weer voorganger te zijn van de Gemeente. Je geneert je als je ziet hoe we de Schrift vaak in de koker van een bepaalde traditie hebben gestopt. Ik heb er aan meegedaan; dat vind ik echt een punt.’

‘Het is alsof er een vel van me is afgestroopt’, zei u. Is dat een individuele ervaring, of leeft dat breder?
‘Misschien gijzelen we elkaar. We zijn wat bang en houden de schone schijn wat op. Al jaren geleden dacht ik, terwijl met geestverwante collega-predikanten aan de vergadertafel zat: lachen jullie wel eens? Hoe gaan jullie thuis met elkaar om? Zijn jullie echte mensen? Ik herinner me dat Ton van Brummelen eens zei hoe nodig het is om ´in je blootje voor God te komen staan´. Kijk, dan zijn we alles kwijt. Alles van ons afgestroopt. Alle franjes weg. Misschien zijn we te bang om ons ware gezicht te tonen. Geestelijk gezien is dat eigenlijk een vorm van verraad. Als we niet uitkijken geven we leiding aan een club die iets hooghoudt wat niet bestaat. Terwijl we zouden moeten leidinggeven in deze ‘afgestroopte’ gestalte. Dan ga je anders bidden, anders bijbellezen, anders preken.
Ik houd veel van mensen, niet van quasi-vrome mensen. Hoewel, om Christus hou ik ook wel van die doerakken, maar daar heb ik genade voor nodig. Maar mensen als Shira en Danny, of de mensen die ik spreek als we hier in huis de buren ontmoeten. Daar houd ik van. En ik vind het een zegen om jongeren en ouderen te ontmoeten met wie je samen op de weg achter Jezus aan mag gaan. Een half woord heb je maar nodig en je begrijpt elkaar helemaal.’

Terug naar die ervaring van de leegte en de stoomwals van de secularisatie, die hier in Amstelveen heeft huisgehouden. Is een theologie als die van Van de Beek, die toch zeer antithetisch is, wel een goede reactie? Dat kan ook een vorm van zelfbevestiging worden.

‘Zoals ik zei: ik heb niet het hele oeuvre van Van de Beek bestudeerd. Over de antithese zou ik dit willen zeggen: Waar zijn de theologen die als werkelijk vrije mensen weten dat God wherever en
whenever mensen bij de kraag kan grijpen en die vanuit die vrijheid in deze cultuur staan, vanuit een innerlijke verworteling. Als je echt bent aangeraakt, ben je ook niet bang meer, dan heb je ook die beschutting in zekere zin niet meer zo nodig. Want je bent vastgepakt en dan kun je overal gaan staan en dan kun je nog eens hele verrassende dingen meemaken. Laten we daar eens over gaan theologiseren.

Ik onderteken mijn kerkbodeberichten altijd met abVDM. Adrie Baas, Verbi Divini Minister. Dienaar van het goddelijke Woord. Dat is mijn verlangen. Het is een belijdenis, op de keper beschouwd. Wanneer ben je dat, V.D.M.? Ik heb vroeger onder preken van dominees gezeten bij wie je al vanaf het begin wist wat er kwam. Ik kon alle zinnen aanvullen, de gebeden van een kwartier…. Nu dit, dan dat. Tijdens de preken dacht ik soms ´en dit zeg je omdat dat van hogerhand verlangt wordt en dit zeg je om mensen naar de mond te praten en dit zeg je om zwaar te doen en dit zeg je om ook nog gunnend te zijn. Ik heb maar één ding gedacht: Here God, bewaar mij hiervoor! Geef dat ik de woorden van U hoor in de voorbereiding, om ze na te spreken. ‘De voorbereiding tot de prediking is meer negatief dan positief’, zei Aalders, die ik overigens nog altijd zeer hoog heb staan. Ik ervaar dat ook zo. Ik bid in de voorbereiding: “God, verlos me van de riedels, dat ik niet preek zoals ‘men’ het graag wil horen. Maak me leeg van het mijne en vervul me met het Uwe”.’
Als alles van je wordt ‘afgestript’, kun je ook stilvallen. Herkent u dat?
‘Nee, dat niet. Het Woord blijft bij me. Als Jeremia wil stoppen, beveelt God die hem riep om door te gaan. Ik heb het niet in m’n vingers, ook in de voorbereiding niet. En hoe ouder ik word, hoe moeilijker ik het vind, om te preken.’

Om de juiste focus te kiezen?
‘Ja, om het Woord te horen, met het oog op deze tijd. Zullen de schapen van de Herder zeggen: dit is His Masters Voice? Want zij kennen Zijn stem! Heere spreek, Uw knecht hoort. Zoals Rembrandt Lukas en Paulus kan schilderen… inwachtend! Maar dan ook al dat ambachtelijke werk in de voorbereiding. En telkens de vraag: Staat dit er nou echt?’

Is dat laatste een wantrouwen aan jezelf of…?
‘Vroeger dacht ik ook weleens het bij het goede eind had. Totdat ik ontdekte dat er zoveel diepere dingen in een bijbelgedeelte zaten, die ik nog helemaal niet had gezien. Als je bijvoorbeeld leest hoe Bernhard Reitsma de gelijkenissen uitlegt, tegen de achtergrond van de cultuur van het Midden-Oosten. Dat zijn voor mij ook leermomenten. We denken soms te snel dat we het wel weten.
Ik hoop altijd onder de preek iets van vreugde te ervaren, dat mensen met mij het heil in Christus gaan vieren. Abma sr. zei: ‘Ik zie wel eens graag mensen huilen onder mijn preek, en ik zie ze ook graag lachen. Maar al die strakke gezichten daar krijg ik wat van’. Dat vind ik zo waar. ‘De hel kan ze niet verschrikken en de hemel kan ze niet verkwikken’, zeiden ze vroeger. Dat ervaar ik ook onder het preken. Je verkondigt het heil dat God de wereld niet heeft laten vallen toen wij Hem de rug toekeerden, maar dat Hij de sprekende God is gebleven. En dan heel die profeten, al die eeuwen door… wat een goedheid en genade van God! Dat Hij niet gezegd heeft: bekijk het allemaal maar. ‘Ik kan ze niet overgeven’, zegt Hij in Hosea. Dat is toch om ontzettend blij van te worden? Om te huilen van blijdschap! Als ik dat verkondig in een degelijke gemeenten, zie ik mensen in hun tas zitten rommelen, snoepjes doorgeven. Ik snap er niets van. Maar dan denk ik: Adrie, jij zat er de eerste tien jaar van je leven en daarna ook nog weleens zo onder het Woord. Dus heb eens wat meer geduld, want God is ook zo lankmoedig met jou…’

Kees van Ekris
Koos van Noppen

Deel dit nieuws: Twitter Twitter Google E-mail

Schrijf je in voor de IZB nieuwsbrief