Zoek

Dineren in Het Badhuis, op 1,5 m

Dineren in Het Badhuis, op 1,5 m

De coronamaatregelen hadden deze week veel weg van dagkoersen. Zo goed en zo kwaad als het gaat proberen missionaire projecten in de anderhalve-metersamenleving hun programma te draaien. Bijvoorbeeld, in Zwijndrecht, bij de wekelijkse buurtmaaltijd van ‘Het Badhuis’, pal achter de Oude Kerk.

2 oktober 2020 - door Koos van Noppen

‘Donderdag. Dan weten de kinderen dat ze niet hoeven langs te komen’, zegt een oudere dame aan tafel. ‘Ik kom al 5 jaar trouw wekelijks in het Badhuis. Hier heb je een praatje, thuis zit je maar alleen. Ja toch?’

Nu de coronacrisis voortduurt, raken ze bij de wekelijkse buurtmaaltijd langzaamaan gewend aan het ‘nieuwe normaal’. Dineren op anderhalve meter, obers met mondkapjes. Twintig deelnemers is de limit. Tegen zes uur staat de kookploeg – ‘het is passen en meten in dat keukentje – klaar om het menu uit te serveren. Het wachten is op Willem. ‘Heeft z’n scootmobiel zeker op “slak” staan.’ Even later meldt hij zich. ‘Geen oog dicht gedaan vannacht. Ik verrekte van de pijn. Dus was ik vanmiddag in slaap gevallen.’

Met een paar regels uit het evangelie, een fragment uit een dagboek en een kort gebed, opent Mariëtte de maaltijd. De gasten komen allemaal uit de straten rond het Badhuis. Als ze elkaar al niet kennen uit de volksbuurt, dan wel van de wekelijkse maaltijd. Sommigen komen ook ’s zondags naar de viering in dit wijkgebouwtje.

‘Ik kom van Mars’, zegt Nel in reactie op opmerkingen over het plastic spatscherm voor haar gezicht. Ze serveert dampende borden. ‘Er ontbreekt nog een Ajax-vaantje op je scherm’, plaagt Willem. Ze is Feyenoord-fan, net als haar man. Nee, diens naam staat niet in gotische letters op haar onderarm. ‘Da’s m’n zoon.

Het eten smaakt goed. Om drie uur zijn ze begonnen, vertelt Barbara, de kok van vandaag. Ze heeft er lol in en is al lang blij dat de maaltijden weer zijn toegestaan. ‘Tijdens de lockdown hebben we warm eten rondgebracht. Dat was een hele organisatie, maar er was veel animo voor.’

Een tafel verderop zit Cor op zijn praatstoel. Hij laat zich graag nog eens opscheppen. ‘5,5 jaar geleden kwam ik hier wonen. Ik zei tegen mijn vrouw: je kunt hier eten, in het Badhuis. “Ga jij maar”, zei ze. Het eind van het liedje is dat we hier al jaren komen. Zij is er vrijwilliger. Ze zit nu met griep thuis. Geen corona.’ Zijn tafelgenoten leven met hem mee. Terwijl hij zich laat fotograferen, praat hij tegen de camera: ‘Je zou eens mee moeten gaan, als ik op de basisschool gastlessen geef over oorlog en vrede. Ik ben 5 jaar uitgezonden geweest.’

Ton (‘nou raad eens… ik ben van ’35) is in de schaduw van De Kuip geboren. De Rotterdamse maakte als kind de oorlog mee. ‘De school stond aan de Oranjeboomstraat. We zaten meer onder dan in de banken. En toen de razzia kwam zei mijn vader tegen de buren: zet allemaal je deuren open. Als kind begreep ik dat niet, maar hij hoopte dat degenen die wilden vluchten zo makkelijk konden ontsnappen.’ In ’56 trouwde ze. ‘Wij waren van Feyenoord. Natúúrlijk, voor 3 kwartjes zaten we aan de lange zijde. En wadachie? Die Duitsers hadden De Kuip willen afbreken, maar er zat te weinig staal in…’

Als ik zo oud zou mogen worden als Ton, met haar conditie, ik zou er ter plekke voor tekenen, zegt haar buurvrouw.

‘Ik kan eten wat ik wil, ik val toch niet af’, zegt Willem. Hij steekt zijn vorkje in een grote punt kwarktaart.

Het was een representatief avondje, evalueert Mariëtte, terwijl achter haar een begin wordt gemaakt met de vaat. ‘Wel onwerkelijk stil’. Vóór de coronatijd lag het aantal eters standaard boven de 40, en tien maanden gelden zaten ze hutje mutje met z’n zestigen aan de gratis Kerstdis. ‘Kom daar dit jaar nog eens om…’