Ook het 'ietsisme' zit diep

23-04-2010

Er is een interessant boek verschenen bij een niet zo bekende uitgeverij, daarom des temeer reden er hier aandacht voor te vragen. Het betreft een briefwisseling tussen H.G. van der Werf en J.P. de Man over de diepste vragen van het christelijk geloof. J.P. de Man studeerde ooit theologie en rechten, staat in het adresboekje van de Gereformeerde Bond nog steeds vermeld onder de kandidaten die geen beroep in overweging kunnen nemen, maar koos intussen jaren geleden al voor de advocatuur. In deze briefwisseling treedt hij op als advocaat voor het orthodoxe christelijke geloof en combineert zo zijn twee disciplines.
H.G. van der Werf was sinds 1981 rechter en vice-president bij de rechtbank ‘s –Hertogenbosch. Daar ontmoetten de rechter en advocaat elkaar en zo ontstond een vriendschap tussen twee mensen, die levensbeschouwelijk ver uit elkaar liggen, maar die het de moeite vonden elkaar daar diep op te bevragen. Toen ze een heel aantal brieven aan elkaar geschreven hadden, dachten ze dat het goed zou zijn deze uit te geven, omdat anderen er wellicht door gestimuleerd zouden kunnen worden ook dergelijke gesprekken aan te gaan.
Ze vroegen de bekende dr. E.G. Meijering een voorwoord te schrijven. Dat voorwoord van slechts een paar bladzijden zou op zich al stof genoeg geven voor een artikel. Ik kom er aan het eind van mijn artikel nog even op terug.

Briefwisseling
Eerst iets over de briefwisseling zelf.  J.P. de Man is een gereformeerde bonder en H.G. van der Werf is een ‘ietsist’. Dat is hij niet altijd geweest, maar langzamerhand na een protestantse opvoeding en rooms-katholieke heropvoeding, geworden. Hij schrijft nooit getwijfeld te hebben aan zoiets als ‘God’ dankzij een diep religieuze natuur. Maar we kunnen als mensen nooit verder komen dan vermoedens ten aanzien van dit oneindige mysterie. Wij kennen God niet en niemand heeft ooit God gezien. Wat over Hem in de verschillende godsdiensten gezegd wordt is een kwestie van religieuze verbeelding. Het gaat fout wanneer deze religieuze verbeelding beschouwd wordt als vaststaande openbaring. Het gaat nog meer fout wanneer mensen deze als exclusief gaan zien en de ander ermee gaan bestrijden, die anders denkt of gelooft.
Het aardige is , dat je in de briefwisseling meteen kunt zien hoe verschillend deze twee manieren van geloven in hun uitwerking zijn. Van der Werf zet rustig zijn gedachten over God, bijbel en christelijk geloof uiteen zonder enige bekeringsijver. De Man probeert dit ook, maar het lukt hem niet. Zijn beschouwingen over de Schrift, de Openbaring en het alleen zaligmakende van het christelijk geloof lopen een aantal malen uit op een appèl. Ook tussen de regels door merk je steeds, dat De Man vreest, dat het met zijn vriend niet goed afloopt wanneer hij zich niet aan de openbaring gewonnen geeft. Op blz. 41 zegt hij:’Ik zou zeggen, toe nou, zet die stap eens en waag het er eens op. Het is als een maaltijd die ons wordt voorgezet (de openbaring, de Schrift W.D.). Neem, eet, proef en ervaar hoe het smaakt. Je komt er dan vanzelf achter hoe het je bekomt’. Op blz. 45 schrijft Van der Werf, dat hij het er zo niet gemakkelijker op vindt worden, omdat De Man blijkbaar intussen van het discussiemodel is overgestapt naar het getuigenismodel met zelfs een missionair hoogtepunt en daar zal hij dan bovenstaande regels wel mee bedoelen. Maar De Man blijft appellerende woorden uitspreken:’Leg alle vooringenomenheden aan de kant en probeer de Schrift zelf aan het woord te laten, die helder en doorzichtig is’. (blz. 111). ‘Het Woord is ons gegeven! En door dat Woord ter zijde te schuiven, komt men in zwaar weer terecht!’. (blz. 112). Als een van zijn laatste woorden schrijft hij nog:’Werp het juk van de Verlichting van je af en buig voor dat Evangelie’ (blz. 116).

Bewonderenswaardig
Al lezend kreeg ik bewondering voor De Man. Hij is heel eerlijk en authentiek, respecteert zijn gesprekspartner, maar durft ook echt bij zijn eigen verhaal te blijven. Ik kreeg ook bewondering voor Van der Werf. Hij is niet afgehaakt, hoewel hij steeds het gevoel gehad moet hebben nooit tegen zoveel orthodoxie op te kunnen. Zelfs de bekeringsijver van De Man doorstaat hij edelmoedig.
Tegelijk ging ik ook steeds meer beseffen, dat beiden zo onverschrokken met elkaar in gesprek kunnen blijven, omdat bij beiden de overtuiging heel diep zit. Bij De Man zit het heel diep, dat we zonder de openbaring van God, zoals die in de heilige Schrift is gegeven geen been hebben om op te staan, in het duister tasten als blinden. Hij ervaart bij het lezen van de Schrift elke keer zijn gelijk daarin. Hier worden voor hem de nevels opgeklaard. Maar de overtuiging van Van der Werf zit ook heel diep. Dat is me in dit boek nog het meeste opgevallen,waarschijnlijk omdat ik het vooroordeel had, dat ‘ietsisten’ er vage beschouwingen op nahouden. Maar deze Van der Werf heeft er heel goed over nagedacht. Hij heeft zelf op orthodoxe wijze geloofd, maar deze wijze van geloven bleek voor hem niet langer houdbaar. Uit zijn betoog begrijpen we, dat hierbij verschillende zaken een rol speelden. Historisch onderzoek van bijbel en dogma’s brachten aan het licht, dat we hier te maken hebben met mensenwerk. Studie van de verschillende godsdiensten leerde hem, dat ieder zijn eigen openbaringswaarheid claimt, maar dat maakt het geheel ongeloofwaardiger. Als ieder een eigen openbaringswaarheid claimt is de kans het grootst, dat niemand gelijk heeft. In feite staat Van der Werf op het standpunt van H.M.Kuitert, dat alle menselijke spreken over boven van beneden komt en dat alle godsdienstige mensen dat heel goed moeten beseffen. Dan houden ze op tegen elkaar op te bieden, elkaar te bestrijden en elkaar te bekeren.
Hoe dan ook, de overtuiging, dat alle godsdiensten te maken hebben met religieuze verbeelding en niet met openbaring zit bij Van der Werf heel diep en er zit voor hem ook praktisch veel aan vast.

Hoe verder?
In de briefwisseling komen we twee mensen tegen, die elkaar zozeer respecteren en hoog hebben, dat ze het de moeite waard vinden hun diepste overtuigingen aan elkaar voor te leggen. Ik vind het mooi om daar door lezing van het boek deelgenoot van te worden. Ik hoop met de schrijvers, dat hun wijze van elkaar aanspreken stimulerend werkt. Laten we ons niet te snel neerleggen bij de dooddoener, dat we het toch nooit eens worden en dat we daarom maar beter er het zwijgen toe kunnen doen.
De vraag is wel of we ook nog verder zouden kunnen komen, dan de twee schrijvers van dit boek. Die vraag stelt Meijering in zijn voorwoord ook aan de orde. Volgens hem zijn er in de kerk, maar zeker aan de rand van de kerk veel mensen als Van der Werf, die best ook nog wel weer wat meer kerkelijk actief zouden willen worden, als er voor hun manier van denken maar meer ruimte zou zijn. Ik denk, dat hij daar gelijk in heeft. Maar dit is voor orthodoxe christenen natuurlijk wel een ingewikkelde kwestie. Hoe kunnen zij met hun vaste overtuiging, dat de bijbel waar is een ‘ietsist’ serieus nemen, die zegt dat het spreken over boven van beneden komt?
Ik zeg zeker niet dat dit eenvoudig is. Maar ik zou zelf meer dan De Man dat doet, beginnen met toe te geven, dat de ‘ietsist’ gelijk zou kunnen hebben. Zoals wij met onze ogen van ‘mensen na de Verlichting’ er tegenaan kijken, is religie een historisch en menselijk verschijnsel, dat samenhangt met het mysterie van het bestaan. Veel meer valt er van ons uit niet over te zeggen. Maar intussen hoeven we het toch niet alleen bij deze constatering te laten? Ik vraag bijvoorbeeld weleens aan mensen: zou je wel graag willen, dat het christelijk geloof waar was? Of maakt het je allemaal niets uit? En verder: zou het kunnen zijn, dat het christelijk geloof ook een heel goed geloof is, echt heilzaam voor mensen? En stel nu eens, dat het waar is. Zou dat helemaal niet kunnen? Wanneer in ons mensen het diepe zoeken en verlangen naar waarheid is gelegd, dan zijn we toch wel beklagenswaardige wezens, wanneer die waarheid echt nergens te vinden zou zijn? Is geloven in Bijbelse zin niet het waagstuk aan durven gaan, dat het woord van apostelen en profeten waar zou kunnen zijn en er daarom werk van gaan maken?
De laatste zinnen van De Man luiden:’Iedere zelfverzekerdheid dient de pas te worden afgesneden. Het leven van het geloof valt altijd weer terug op de bede van de vader van de maanzieke knaap (Markus 9):’Ik geloof Here, kom mijn ongelovigheid te hulp’.
Ik dacht bij mezelf: als deze laatste zinnen nu eens meer de sleutel waren geweest om in gesprek te zijn, dan was de toon kwetsbaarder geweest en waren er misschien meer openingen geweest om nog wat verder te komen.

Verlangen naar waarheid
Na het lezen van deze briefwisseling ben ik nog minder optimistisch over het íetsisme’ als zou dit een soort voorportaal voor het christelijk geloof kunnen zijn. Nee, het is geen voorportaal, het is voor de meesten het plein bij de achterdeur. Daar op dat plein is het voor de meesten ook goed toeven, want je kunt ruimte blijven geven aan je religieuze gevoel, maar je hoeft je intussen in geen enkel harnas te hijsen. Dat is echter de ene kant. De andere kant is, dat het ook altijd weer onbevredigend zal blijken te zijn om in feite wat betreft de diepste levensvragen te vertoeven in een agnostische nevel: Wie weet, als het christelijk geloof toch eens waar zou blijken te zijn…. Wat zou dat geweldig zijn! Missionair bezig zijn is voor mij in ieder geval investeren in het aanwakkeren van dat verlangen, het voortdurend onder de aandacht brengen van die principiële mogelijkheid. In de oren van veel orthodoxe christenen klinkt dit wellicht wat mager. Maar ik denk, dat deze kwetsbaarheid ook heel sterke kanten kan hebben. Bijvoorbeeld de oerreformatorische overtuiging, dat het kleinste sprietje geloof al puur genade is.

N.a.v. Mr. dr. H.G. van der Werf en mr. drs. J.P. de Man, De plaats van God, uitgeverij Free Musketeers, Zoetermeer, 2010, 124 blz., €16,95.

(Ook gepubliceerd in Transmissie, voorjaar 2010).

CBF-keur voor goede doelen