Een missionaire gemeente - waarom en hoe?Dr. P.J. Visser, Amsterdam1.ROEPING
Oude Testament
Van de eerste bladzijde tot de laatste bladzijde wordt in de bijbel duidelijk gemaakt dat God de hele wereld op het oog heeft. Met dat de God van Israël in Gen. 1 beleden wordt als de Schepper van hemel en aarde wordt aangegeven dat Hij niet, zoals de afgoden, een stamgod is met een locale functie. Maar dat Hij wereldwijd gediend wil worden en God is van de totale mensheid. De eerste elf hoofdstukken van de bijbel bevestigen dat: God richt zich daar tot de hele aarde en alle volkeren. En als God uit de volkeren Abram roept en verkiest, dan wordt daarmee de rest niet afgeschreven en opgegeven, maar zoekt God juist in die éne direct en uiteindelijk ook alle anderen. Hij belooft: In u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Opvallend is dat God de realisering van deze belofte in één adem verbindt met de vervulling van de opdracht om als gezegende tot een zegen te zijn: Ik zal u zegenen… en wees een zegen! (Gen. 12:1-3)
Nieuwe Testament
Jezus trekt die lijn na Zijn opstanding door. Hij laat vanuit het OT (bv. Jes. 42:6, 49:6) zien dat het bereide heil alle volken aangaat: Alzo is geschreven en alzo moest de Christus lijden en ten derde dage opstaan en in Zijn naam gepredikt worden bekering en vergeving van zonden onder alle volken beginnende van Jeruzalem (Luk. 24:46,47) Tegelijk legt Hij een onlosmakelijke verbinding tussen Zijn genadige wereldwijde heerschappij en de missionaire opdracht van de gelovigen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaat dan heen in de gehele wereld… (Mat. 28:18,19)
Dit moet vooral ook gebeuren met het oog op de toekomst. Dan zal het alles uitmaken of Christus werd erkend of niet. Al in het OT komen we deze gedachte tegen (vgl. Jes. 45:23-25). En het laatste bijbelboek, de Openbaringen van Christus, toont van begin tot eind dat Gods reddend en richtend handelen de hele aarde en de totale mensheid omvat. Enerzijds is er sprake van een ‘schare uit alle volk, taal, geslacht en natie’ die zal delen in het volle heil op de nieuwe aarde onder een open hemel. Anderzijds wordt de ondergang aangekondigd van Babylon, dat symbool staat voor de wereld die zich tegen God verzette en aan Zijn genade geen boodschap had. (Openb. 18 - 19:5)
Persoonlijk geroepen
Trekt de Geest ons uit de duisternis tot Zijn licht, dan is dat nooit bedoeld om ‘slechts’ persoonlijk te delen in het heil. Jezus zei: U hebt niet Mij uitverkoren maar Ik heb u uitverkoren en Ik heb u gesteld dat u zou heengaan en vrucht dragen… (Joh. 15:16) We worden verkoren tot dienst, te schijnen als een licht. Verkiezing is niet alleen een geschenk, maar ook een opdracht. Wie zelf getuige werd van het heil, geroepen daar een getuige van te worden. Zo zei Jezus na de opstanding: En u bent getuigen van deze dingen! (Luk. 24:48) De mond van de gelovige is de deur van God naar deze wereld, waardoor Hij Zijn genadige gang wil gaan. Zo zei Paulus: God was in Christus de wereld verzoenende en heeft het woord der verzoening in ons gelegd zo zijn wij dan gezanten van Christuswege alsof God door ons bidt, wij bidden u: Laat u met God verzoenen. (2 Kor. 5:19,20) Blijft onze mond gesloten, dan loopt God tegen een gesloten deur op. De gemeente is Gods kanaal waardoor Hij Zijn heil de wereld in laat stromen. (Vgl. Kol. 4:5,6 1 Petr. 2:9,10). Het is dan ook ver beneden de maat, ronduit zonde als de gemeente bewust of onbewust functioneert als een dam. Bewust, omdat zij er geen heil in ziet om missionair te worden. Onbewust, omdat zij er amper erg in heeft dat zij die taak verzaakt.
Een dominee uit Zuid-Korea, die een gemeente in Nederland bezocht, vroeg: Hoe gaat het hier? Enthousiast vertelde men over de goede kerkgang en het bloeiende gemeenteleven. Vervolgens informeerde hij hoeveel mensen er het afgelopen jaar vanuit de wereld tot bekering waren gekomen en aan de gemeente waren toegevoegd. Toen moest iedereen lang nadenken en wisten ze uiteindelijk één naam te noemen. Zijn reactie was: Hoe kunt u dan zeggen dat het goed gaat?
2. BEWUSTWORDING
Het gaat allen aan
De gemeente als geheel én de gelovigen afzonderlijk moeten zich bewust worden van deze missionaire opdracht. Te vaak hangt die er bij en wordt het uitbesteed aan enkele enthousiastelingen. Terwijl het getuigen helemaal deel uitmaakt van het ‘wezen’ van het geloof. Gij zijt het zout der aarde… Gij zijt het licht der wereld… (Mat. 5:13-16) Behalve dat zij existeert tot lof van God, is zij van Hogerhand in het leven geroepen om tot heil te zijn van de wereld waarin zij leeft. In Hand. 2:47 wordt dit prachtig verwoord als er van de eerste gemeente gezegd wordt: En zij prezen God en hadden genade bij het hele volk. En de Here deed dagelijks toe tot de gemeente die zalig wordt.
Oefenen in gelovig zelfbewustzijn
Om te beginnen moeten af van de houding dat het hele geloof eigenlijk een beetje raar is. Met als gevolg dat wij bij voorbaat al in een hoekje gaan zitten. En alleen maar met een rood hoofd wat over ons geloof kunnen zeggen. Zo’n houding straalt weinig uit: zoals we ons opstellen zullen we in de regel ook behandeld worden. Het bevestigt het vooroordeel dat geloven een nogal zielige bezigheid is. Het is opvallend dat Jezus zich volop bewust was
van wie Hij was getuige de vele ‘Ik ben…’ uitspraken. En vandaar uit trad Hij mensen met rechte rug en een bewogen hart tegemoet. Overtuigd, rustig, liefdevol en eerlijk… om zo anderen het Zijne aan te reiken. In navolging van Hem zullen wij daar ook iets van hebben. Te meer daar de apostelen in hun brieven gelovigen ook steeds op dat zelfbewustzijn aanspreken. Telkens herinneren zij de gemeente aan wat men in Christus ontving. Opdat men zal beseffen hoe bevoorrecht men is…begenadigd van Hogerhand nota bene. Door zichzelf zo te leren zien, kunnen gelovigen veel zelfbewuster in de wereld staan. En kunnen zij ontmoetingen met ongelovigen opener en overtuigder aan. Waar je van overtuigd raakte is niet raar…! Maar volop de moeite waard om te delen…! Paulus schreef (Rom. 1:16): Ik schaam mij het evangelie van Christus niet, want het is een kracht van God tot zaligheid. En hoewel hij beseft dat velen in Korinthe zijn boodschap afdoen als ‘dwaasheid’, is en blijft hij ervan overtuigd een ontzettend ‘goed’ verhaal te hebben (1 Kor. 2:9,10): Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart van mensen niet is opgekomen, heeft God bereid voor die, die Hem liefhebben… en ons geopenbaard door Zijn Geest!
Missionaire opdracht praktisch eigen maken
Het komt erop aan dat de gemeente zich deze gedachte eigen maakt. In plaats dat de roeping het ene oor in en het ander oor uitgaat moet die ‘tussen de oren’ komen te zitten. We moeten het zo op ons hart krijgen, dat we het ervan op onze heupen krijgen. Ons hart moet zo innerlijk met ontferming bewogen worden, dat we niet kunnen blijven zitten en naar wegen gaan zoeken. Hoe kan het zover komen? Een paar richtlijnen:
1. Door het te integreren in de verkondiging. Uiteraard gaat het in de verkondiging om het werken en versterken van het geloof. En indirect heeft dat ook een missionaire betekenis: want waar het hart vol van raakt loopt de mond van over. Toch kunnen wij eer niet mee volstaan om te zeggen, dat waar het geloof gewekt wordt, dit vanzelf leidt tot getuigen. Er gaat in het Koninkrijk Gods niets vanzelf… behalve dat we het erbij laten zitten. Ook het geloof in de missionaire roeping is uit het gehoor van het gepredikte Woord. Het is dan ook zaak om deze taak die God hoog zit geregeld een plek te geven in de verkondiging. Opdat de Geest de harten in vuur en vlam kan zetten…!
Ik denk hierbij aan een paar concrete vragen die de gemeente te denken kunnen geven:
-Hoe zouden wij het vinden als de Here dagelijks mensen ging toevoegen aan de gemeente? Zien we het zitten om daar om te gaan bidden? Zijn we bereid hen met open armen te ontvangen? Willen we ons inzetten om hen verder te helpen? Of moeten we daar eigenlijk niet aan denken? Lijkt het ons eng en lastig? Is het ons teveel van het goede?
-Welke plek hebben je ongelovige buren en collega’s in je gebed? Zou het je lukken 1 minuut per dag voor hen te bidden en te vragen of jij voor hen tot een zegen kan zijn, er dit jaar op z’n minst mag winnen voor Christus?
2. Door het geregeld een plek te geven in de voorbede. In het geloof dat de Geest op het gebed van de gemeente bewogenheid schenkt, gelegenheden schenkt, woorden geeft en openingen maakt. En in het besef dat de gemeenteleden op deze wijze voortdurend herinnerd worden aan de ernst en noodzaak van hun roeping in het wereldje, waarin zij leven en zodoende gestimuleerd worden om daar werk van te maken.
Ik heb gemerkt dat deze wekelijkse voorbede in de gemeente echt iets gaande kan maken. Het laat jongeren en ouderen niet meer met rust. Besef wordt levend dat ze tot een zegen moeten zijn voor anderen. Persoonlijk gebed om openingen wordt geboren. In Den Haag zei een 75-jarige een keer tegen me: ‘Ik heb het me nooit zo gerealiseerd… maar nu ben ik er alsnog maar mee begonnen om elke ochtend te bidden voor mijn buren. En weet u wat zo apart is? Onlangs is mijn buurman op wondere wijze genezen van een ongeneeslijke ziekte. Hij snapte er niks van. En toen heb ik het uitgelegd dat ik voor hem gebeden had…’
3. Door missionaire cursus aan te bieden. Op deze wijze wordt het missionaire bewustzijn
langzamerhand verdiept en verbreed in de gemeente. En worden mensen concreet op weg geholpen om op de ontmoeting met anderen te zoeken en aan te gaan.
4. Door één keer per jaar een missionaire gemeente-avond te organiseren. De bedoeling van zo’n avond is om de gemeente op de hoogte te houden van de missionaire activiteiten, de zegeningen te tellen, de zorgen te delen en nieuwe gelovigen de gelegenheid te geven ‘hun verhaal’ te doen. Het maakt de zegen even zichtbaar en laat zien dat ‘overvloedig zijn in het werk des Heren’ geen vergeefse moeite en zinloze bezigheid is. Het geeft in moedeloosheid over teleurstellende ervaring – die zijn in de dienst van God en de navolging van Christus onontkoombaar! – moed om door te gaan en wakkert het missionaire vuurtje verder aan. Het ophalen van mooie ervaringen schept nieuw elan.
3.UITVOERING
De bewustwording heeft tot doel dat mensen missionair actief worden. Deze missionaire activiteit heeft verschillende aspecten die elkaar aanvullen. Aan dit ‘werk in uitvoering’ leiding en stuur wordt gegeven, zodat mensen steeds duidelijker voor ogen komt te staan
hoe zij aan hun missionaire roeping kunnen uitvoeren.
Missionaire gebed
Het gaat om Gods werk door ons heen. Daarom zijn wij altijd van a tot z aangewezen op Zijn Geest. Deze ontvangen wij alleen op het gebed. Maar wat zullen wij bidden?
-Wij belijden onze schuld voorzover we het erbij lieten zitten, ons schaamden voor ons geloof en de Naam van onze Here en Heiland verzwegen en verloochenden.
-Wij vragen om vergeving van deze ernstige zonde om Jezus’ wil.
-Wij roepen de hulp van de Geest in om vrijmoedigheid, om een luisterend oor en een opmerkzaam hart, om helder inzicht en goede woorden, om eerlijkheid en lange adem.
-Wij verlangen naar tekenen en wonderen opdat mensen iets gewaar worden van God
-Wij doen voorbede voor hen die een specifieke missionaire taak hebben.
Missionaire openheid
Ik doel hiermee op de wijze waarop we met nieuwkomers omgaan, met zoekers die de moed hadden om bij ons over de drempel te komen. Hoe ontvangen we die? Hartelijk, open, belangstellend, uitnodigend? Of precies andersom, zodat die ander zich met recht afvraagt in hoeverre hij of zij welkom is. Een eerste missionaire opdracht is: Wees vriendelijk jegens alle mensen (2 Tim. 2:24). Het gaat hier overigens wel om het juiste midden te houden tussen onverschilligheid en opdringerigheid. In ieder geval moeten we ons realiseren dat onze houding in dezen vaak beslissend is. Nieuwelingen zijn er uiterst gevoelig voor, haken erop in of haken erop af. Ondervonden vriendelijkheid is een belangrijk middel op de weg van de bekering! Het zou dan ook zonde zijn als wij deze eenvoudige oefening verwaarloosden.
Missionaire levensstijl
Laten wij beseffen dat we als gelovigen leven voor het oog van de wereld en dat men bewust en onbewust scherp op ons let. Ongelovigen zijn over het algemeen - zeker als zij een kerkelijke achtergrond hebben - redelijk goed op de hoogte van enkele belangrijke bijbelse normen en waarden, zoals eerlijkheid, hulpvaardigheid, vergevensgezindheid, liefde en betrouwbaarheid. Daarop zullen zij een gelovige beoordelen. Ongelovigen zijn vak geneigd, juist vanwege hun eigen existentiële onzekerheid of hun diepgeworteld verzet, iets te zoeken in je doen en laten wat bewijst dat het hele geloof niks om het lijf heeft. In ieder geval zullen gelovigen in hun omgang met ongelovigen er dubbel alert op moeten zijn, dat hun manier van doen geen deuren dicht gooit maar verrast… en wie weet een deur opent (vgl. 1 Petr. 3:15,16)
Missionair gezien is het in ieder geval een blunder als ongelovigen van ons zeggen: hij of zij zegt te geloven, maar je merkt er niks van. Al vindt men dat aanvankelijk wel plezierig, uiteindelijk dwingt het geen respect af, maakt het niet nieuwsgierig.
Dit betekent overigens niet dat wij een krampachtige houding moeten aannemen. Bv. altijd maar over ons moeten laten lopen en nooit eens boos mogen worden. Wij hoeven ons niet door de opvatting van ongelovigen over wat je als gelovige wel en niet kan maken te laten ringeloren. En gaan we een keer de fout in, dan is dat geen onoverkomelijke schande. Als we er eerlijk over zijn, kan het juist ook de mogelijkheid geven het geheim van het evangelie wat nader uit de doeken te doen en uit te leggen dat we geen heiligen zijn maar begenadigden!
Een apart en soms gevoelig punt in reformatorische hoek is de kledingstijl. Zonder daarop af te geven, moeten wij goed bedenken dat die onbedoeld op de buitenwacht een afstotende werking kan hebben. Is dat voor God verantwoord? Zou het niet geboden zijn om zo’n stijl van kleden te vinden, die enerzijds stijlvol en modern is en anderzijds niet bij voorbaat afstand schept en ergernis wekt? Ik merk dat nieuwkomers het als heel belangrijk en plezierig ervaren wanneer kerkgangers ‘gewoon’ gekleed gaan en zij daardoor niet uit de toon vallen.
Missionair gesprek
Puntsgewijs noem ik een aantal zaken noem die van belang zijn.
- Velen zijn niet gewend om hun geloof onder woorden te brengen. In zulke gevallen is het bijna onmogelijk, ondanks alle goede wil, een gesprek met een ongelovige aan te gaan. Het is missionair dan ook van belang dat wij dit oefenen en leren in de gemeente: elkaar stimuleren en gelegenheden scheppen om onderling te verwoorden wat je gelooft, beweegt, ervaart.
- Mensen om ons heen hebben vaak veel meer vragen dan zij in eerste instantie laten merken. Vaak worden die verpakt in een scherpe opmerking of een vage vraag. Het is zaak daar alert op te zijn en er tijd voor te nemen om daar zorgvuldig op in te gaan. Je staat soms versteld wat er dan allemaal los komt. Wie zo’n kans laat schieten, laat de ander zitten. En wellicht zal deze er niet snel nog eens een keer over beginnen.
- We hoeven niet alleen te wachten, we mogen en moeten ook zelf initiatieven nemen. Waarom zou je aan buren bij wie je geregeld over de vloer komt, of aan je collega met wie je vaak samen bent, niet eens mogen vragen hoe hij of zij over het geloof denkt?
- In het gesprek zelf gaat het erom, dat wij de ander geen dingen gaan aanpraten. Bijvoorbeeld door met stelligheid te beweren dat die ander er niet omheen kan dat God bestaat, dat hij en zondaar is… enzovoort. Dat roept in de regel aversie op en werkt averechts. Het is de kunst om te luisteren naar wat de ander denkt en vindt om daar vervolgens op in te haken, rustig en bescheiden, eerlijk en persoonlijk. Het komt aan op een open gedachtewisseling, waarbij we mogen hopen en bidden dat de Geest geruisloos er zich als derde in mengen zal…
Ooit zei een zendeling:
Iedere gelovige moet op z’n minst één mens meenemen naar de hemel. Je kunt het niet maken om uiteindelijk alleen aan te komen bij God. Het ligt in de lijn van wat Jezus zei in de gelijkenis van de talenten (Mat.25:14-30). Wie slechts voor zichzelf bewaart wat hij ontving, schiet ernstig tekort. De genade die bewezen werd, moet minimaal worden verdubbeld….!
Dr. Paul J. Visser, Amsterdam (Noorderkerk).
Eerder gepubliceerd in Contactblad GB, Amsterdam, jrg. 45, no. 3, juni 2010.
|